De geschiedenis van de wijk Duinoord is rijk. Op deze pagina's gaan we in op de architectuur, het ontstaan van Duinoord, de voorgeschiedenis, verdwenen straten en woningtypen.
Voorgeschiedenis
Het gebied, waarop zich nu de wijk Duinoord bevindt, bestond vroeger uit een heuvelachtig duinlandschap. Het waren geen hoge duinen, zoals we die aantreffen in het Westduinpark en achter de Watertoren, maar lage bultjes, die ook wel klingen of oude duinen genoemd worden. Aan de Daal en Bergselaan is dit landschap nog te zien in het stukje natuurreservaat ‘Wapendal’.
Bos was er nauwelijks in het ‘voorhistorische’ Duinoord, wel laag struikgewas, af en toe een tegen de zeewind opgewassen boom en slanke toppen. De populatie konijnen moet overvloedig geweest zijn, getuige de verhalen over jacht en stroperij. Het Duinoordse klingengebied was een langgerekte strook (strandwal), ruwweg begrensd door de Laan van Meerdervoort en de Haagse Beek, die langs het huidige Stadhoudersplantsoen en de Sportlaan ‘stroomt’. Het dal waardoor de Beek loopt heet Segbroek. Langs de Beek lagen enige boerderijen, waarvan de namen nog voortleven in straatnamen: Kranenburg, dat ooit een echt kasteel is geweest, Hanenburg, Daal en Berg, Houtrust, Berg en Dal en Meer en Bos zijn de enige boerderijen die nog (gedeeltelijk) overgebleven zijn.
Op de kaart van Kruikius uit 1712 komt op de plaats waar nu het Sweelinckplein ligt de veldnaam ‘Slagvelt Op Den Engel’ voor. De betekenis hiervan is niet geheel duidelijk. Men moet zich in ieder geval niet voorstellen dat zich daar bloederige taferelen hebben afgespeeld, want dan zou de geschiedenis er zeker melding van gemaakt hebben. Sommigen menen dat ‘slagvel’ duidt op een gebied doorsneden met slagen, dat zijn karresporen door de duinen (Frankenslag, Rijslag, Kolenwaagenslag). Een andere mogelijke verklaring is de betekenis die Van Dale nu nog geeft: een vlakgemaakte plaats waarop de slagen turf worden neergezet om te drogen. Immers, in het gebied ten zuiden van de Laan van Meerdervoort (genaamd Het Kleine Veentje) werd in die tijd op daarvoor geschikte plekken turf gestoken. Dit geschiedde altijd zo dicht mogelijk bij de stad in verband met het transport. De betekenis van ‘Op den Engel’, waarvan het trefcentrum zijn naam ontleent, is nog niet achterhaald. De naam heeft ook maar kort bestaan, want op de kaarten komt hij niet meer voor.
Voorgeschiedenis
Het gebied, waarop zich nu de wijk Duinoord bevindt, bestond vroeger uit een heuvelachtig duinlandschap. Het waren geen hoge duinen, zoals we die aantreffen in het Westduinpark en achter de Watertoren, maar lage bultjes, die ook wel klingen of oude duinen genoemd worden. Aan de Daal en Bergselaan is dit landschap nog te zien in het stukje natuurreservaat ‘Wapendal’.
Bos was er nauwelijks in het ‘voorhistorische’ Duinoord, wel laag struikgewas, af en toe een tegen de zeewind opgewassen boom en slanke toppen. De populatie konijnen moet overvloedig geweest zijn, getuige de verhalen over jacht en stroperij. Het Duinoordse klingengebied was een langgerekte strook (strandwal), ruwweg begrensd door de Laan van Meerdervoort en de Haagse Beek, die langs het huidige Stadhoudersplantsoen en de Sportlaan ‘stroomt’. Het dal waardoor de Beek loopt heet Segbroek. Langs de Beek lagen enige boerderijen, waarvan de namen nog voortleven in straatnamen: Kranenburg, dat ooit een echt kasteel is geweest, Hanenburg, Daal en Berg, Houtrust, Berg en Dal en Meer en Bos zijn de enige boerderijen die nog (gedeeltelijk) overgebleven zijn.
Op de kaart van Kruikius uit 1712 komt op de plaats waar nu het Sweelinckplein ligt de veldnaam ‘Slagvelt Op Den Engel’ voor. De betekenis hiervan is niet geheel duidelijk. Men moet zich in ieder geval niet voorstellen dat zich daar bloederige taferelen hebben afgespeeld, want dan zou de geschiedenis er zeker melding van gemaakt hebben. Sommigen menen dat ‘slagvel’ duidt op een gebied doorsneden met slagen, dat zijn karresporen door de duinen (Frankenslag, Rijslag, Kolenwaagenslag). Een andere mogelijke verklaring is de betekenis die Van Dale nu nog geeft: een vlakgemaakte plaats waarop de slagen turf worden neergezet om te drogen. Immers, in het gebied ten zuiden van de Laan van Meerdervoort (genaamd Het Kleine Veentje) werd in die tijd op daarvoor geschikte plekken turf gestoken. Dit geschiedde altijd zo dicht mogelijk bij de stad in verband met het transport. De betekenis van ‘Op den Engel’, waarvan het trefcentrum zijn naam ontleent, is nog niet achterhaald. De naam heeft ook maar kort bestaan, want op de kaarten komt hij niet meer voor.
Ontstaan van Duinoord
Men kan zich afvragen waarom het hoge, droge zandgebied pas betrekkelijk laat werd bebouwd, later dan de Zeeheldenbuurt en het Regentessekwartier in het onaantrekkelijke natte veen. Wel, in de eerste plaats breidde Den Haag zich vanuit het centrum uit en werd bij voorkeur eerst het dichtbijgelegen gebied bebouwd.
In de tweede plaats was daar waarschijnlijk de grond goedkoper of gemakkelijker te verwerven van de domeinen van de Groothertogin van Saxen-Weimar en de familie Goekoop, die op de Zorgvliet woonde.
In de derde plaats moest de heuvelachtige grond bouwrijp gemaakt worden, waartoe veel zand afgevoerd diende te worden. Dit laatste kwam pas goed op gang bij de aanleg van de Rijnspoorweg in de laatste helft van de vorige eeuw. Er werden afzanderijvaarten gegraven (Waldeck Pyrmontkade en Valkenboskade) waarover het zand per schuit werd afgevoerd. Wanneer u nu met de trein naar Gouda reist, rijdt u over het zand waaruit vroeger de Duinoordse klingen bestonden. Een ander deel van het zand was bestemd voor stratenaanleg in de schilderswijk, die op veen gebouwd is.
Eerst na de afzandingen konden definitieve plannen voor woningbouw gemaakt worden, waartoe de bankier Scheurleer in 1891 het initiatief nam. Zijn opzet was heel anders dan de recht-toe-recht-aan-wijken, die eerder gebouwd waren: de wijk zou ruim en speels van opzet worden, wat hier wel mogelijk was door de vraag naar huizen van oud-kolonialen: zij zaten niet slecht in hun slappe was en uit angst voor malaria wilden zij absoluut niet op het vochtige veen wonen. De Haagsche Bouwgrond-Maatschappij ‘Duinoord’ , waarnaar de wijk is genoemd, kon zijn gang gaan. Er werd zelfs een prijsvraag uitgeschreven voor gevelontwerpen, waarvan de eerste prijs op de hoek van het Sweelinckplein en de Banstraat nog altijd te zien is.
Verdwenen straten
Van het oorspronkelijke stratenplan is nog veel in tact. Een uitzondering daarop vormt het gebied langs de huidige Kennedylaan. In de Tweede Wereldoorlog is hier de bebouwing gesloopt voor de aanleg van de Atlantikwall.
Tot de Tweede Wereldoorlog maakten ook de Verhulststraat en de Dunklerstraat deel uit van Duinoord. In het Gemeentearchief zijn foto's te vinden over de Dunklerstraat (Foto's uit het Gemeentearchief) en de Verhulststraat (Foto's uit het Gemeentearchief).
De eerste Dunklerstraat werd aangelegd in 1901 en werd in 1943 door de Duitse bezetter afgebroken vanwege de Atlantikwall. In 1951 stond de straat er opnieuw. De Dunklerstraat loopt van de 2e Schuytstraat naar de Conradkade en werd genoemd naar de muzikant Frans Dunkler jr. Vader Dunkler genoot al enige bekendheid op het gebied van de militaire muziek; hij schopte het tot kapelmeester van het muziekcorps van het regiment Grenadiers en Jagers. Frans deed het nog beter. Hij had goed naar vaders' muziek en raad geluisterd; Pa was dan ook trots op hem. Frans Dunkler werd in 1816 geboren. Op zijn dertiende jaar- in 1829 - trad hij met speciale toestemming toe tot het muziekcorps van het regiment Grenadiers en Jagers, waar zijn vader dirigent van was.
Frans wist aardig zijn weg op de klarinet, maar ook op de trombone kon hij een leuk nummertje wegblazen. Zo'n combinatie van blaasinstrumenten is niet gemakkelijk omdat ieder instrument zijn unieke embouchure (lippenstand) heeft. De geschiedenis vermeldt niet of Frans beide instrumenten ooit tegelijkertijd heeft bespeeld. Misschien gebeurde dit in 1830 tijdens de hectiek van de Tiendaagse veldtocht tegen de opstandige Belgen, waarin Frans muzikaal meehielp het moreel van de Nederlandse troepen hoog te houden. Op het slagveld verscheen het volgende met kruitdamp doorregen geschrift:
"Oranje prijkt weer aan uw spits
Zijn vederdos is weer uw gids
In 's vijands digste legerbenden;
De held van Waterloo daagt op,
Hij plet des muitlings trotschen kop
En kneust met ijzren voet zijn lenden"
Toen de Franse troepen het strijdtoneel betraden was het spel uit. Noord- en Zuid Nederland gingen definitief uit elkaar en de Belgen mochten het alleen proberen en omdat we toch niets anders te doen hadden gingen we maar tegen elkaar voetballen. Frans en de zijnen moest de aftocht blazen, terwijl zijn vader de maat erin hield. De Belgen verloren 91 man; de Nederlanders 112.
Frans maakte verder carrière in het leger. Hij was al adjudant- onderofficier en in 1861 werd hij door koning Willem III tot officier benoemd met de titel Directeur der Muziek. Onder zijn bezielende leiding steeg het muziekcorps van het regiment Grenadiers en Jagers muzikaal tot grote hoogte. In 1867 behaalde Frans Dunkler met zijn kapel de tweede prijs op een internationaal muziekconcours in Parijs. En dat terwijl ze alleen nog maar aan het inblazen waren! Beoefenaars van militaire muziek zien de naam "Dunkler" vaak boven 't partituur staan want Frans Dunkler bewerkte talloze muziekstukken voor harmonieorkest. Of zoals onze zuiderburen zeggen, blaasmuziek.
In 1887 blies Frans zijn laatste adem uit, ditmaal zonder klarinet.
Architectuur
De meeste huizen in Oud-Duinoord (het gebied ingesloten door de Laan van Meerdervoort, de Conradkade en de Groothertoginnelaan) zijn gebouwd aan het einde van de 19e eeuw. Toen was in de bouwkunst de Neo-Renaissance erg in zwang, soms gemengd met Romaanse en Gotische elementen. Kenmerkend zijn de rijke versieringen, torentjes en erkers, en het gebruik van (namaak)natuursteen. In plafonds en consoles vindt men dikwijls gezichten gebeeldhouwd, ook dierekoppen. De meeste elementen zijn opgerakeld uit de Renaissance-tijd. Voorbeelden te over op het Sweelinckplein.
Na de eeuwwisseling werd de Neo-Renaissance geleidelijk verdrongen door een geheel nieuwe stijl, die voor uit Oostenrijk en België afkomstig was: de Art-Nouveau of Jugendstil, hier ook wel spottend krullemie- of vermicellistijl genoemd. Met de traditie werd gebroken en men wilde geen elementen uit vroege bouwstijlen meer toepassen.
In Den Haag, de enige Nederlandse stad waar Art-Nouveau op grote schaal is toegepast, verliep deze overgang erg schuchter; echte Art-Nouveau is dan ook in Duinoord nauwelijks te vinden. Veel panden vertonen een menging van deze stijl met enige Neo-Renaissance-elementen. De Jugendstil kenmerkt zich door gebogen en gebroken lijnen, loze balustrades, staalconstructies en gekleurde baksteen. Natuursteen wordt weinig toegepast. Men moet vooral letten op raamindeling, smeedijzeren balconbalustrades, en glas-in-lood. Ook typerend is de eenvoudige plafonversiering ten opzichte van de voorgaande periode.
In Oud-Duinoord treft men Art-Nouveau aan in het laatste deel van de 2e Schuytstraat en Obrechtstraat, terwijl Nieuw-Duinoord, dat in de oorlog voor meer dan de helft is afgebroken, vrijwel geheel in Art-Nouveau is opgetrokken. De omgeving Archimedesstraat bestaat eveneens voornamelijk uit Art-Nouveau, hoewel sterk vereenvoudigd. Bijzondere aandacht verdienen enige panden aan de Laan van Meerdervoort, vanaf nummer 213 (Boekhandel Hoonhoud), die zelfs op de monumentenlijst staan.
Woningtypen
In het vooroorlogse Duinoord vindt men een grote variëteit aan woningtypen, die overigens geen van alle specifiek Duinoords zijn, maar wel typisch Haags.
Allereerst zijn er vrijstaande villa’s langs de Groothertoginnelaan en de herenhuizen van het Sweelinckplein. Deze panden verdienen eigenlijk een aparte behandeling, want zij zijn onderling zo verschillend, dat van een ‘type’ geen sprake is. We beperken ons nu tot de meer ‘gewone’ woonhuizen.
Verspreid door de wijk vindt men dan de eengezinshuizen, die meestal drie bouwlagen en acht of meer kamers bevatten. De globale indeling van deze huizen is vrijwel uniform. Doordat de eengezinshuizen nogal groot waren en daardoor niet voor iedereen betaalbaar, heeft men deze typen vaak opgesplitst in beneden- en bovenwoningen. Er ontstonden dan onmiddellijk problemen met de indelingen: het (dubbele) bovenhuis bevatte zes of meer kamers, terwijl het beneden huis slechts over de ‘suite’ met ‘serre’ beschikte. De oplossing werd gevonden door in het achterterrein een uitbouw te maken, zodat het benedenhuis twee of meer slaapkamers kreeg. Deze bouwwijze is goed te zien aan de Conradkade, waar men naast de trambaan de uitbouwen van de huizen van de Obrechtstraat kan gadeslaan.
Eigenlijk was deze bouwwijze zeer onpraktisch: men moest via de keuken naar de slaapvertrekken, de uitbouw had veel (koude en vochtige) buitenmuren en de toetreding van licht en licht was gering. Na 1900 vond men ook hiervoor weer een oplossing in de zgn. tussenbouw, die vooral in de Archimedesstraat en omgeving wordt aangetroffen. Nu bouwde men de slaapkamers in een kolom tussen twee percelen in; de ene benedenwoning kreeg drie of vier slaapkamers boven elkaar aan de voorzijde, de andere aan de achterzijde. Ook deze bouwwijze heeft niet lang standgehouden, onder meer vanwege de vele bewerkelijke trappenhuizen.
Tegen die tijd deden de eerste portiekwoningen hun intrede, wat eigenlijk flats waren. Ofschoon er in Den Haag later talloze van gebouwd zijn, is dit type in Duinoord dun gezaaid: in de Galvanistraat, de Snelliustraat en aan de Suezkade staan er enkele.
Een heel merkwaardig huizentype vormen de souterrainwoningen, die tamelijk kenmerkend zijn voor deze omgeving, omdat ze vrijwel alleen op zandgrond gebouwd werden: naast Duinoord en omgeving vindt men deze huizen alleen in Scheveningen (badplaats) en op droge stukken van Bezuidenhout. In het veen sporadisch: Regentesseplein en Oranjeplein. Zij kennen een dubbel bovenhuis en een benedenwoning, bestaande uit een souterrain en een eerste etage, de zgn. ‘bel-étage’. Bel-étage heeft overigens niets met de huisbel uitstaande, maar is quasi-Frans (en dus Haags!) en betekent: ‘mooie etage’. Het merkwaardige is dat de benedenwoning twee voordeuren en een binnen- èn een buitentrap heeft. Het souterrain heeft geen bel en geen huisnummer meegekregen. Veel van deze woningen zijn momenteel echter opgesplitst, waarbij de souterraindeur een bel en een huisnummer, meestal het nummer van de bel-étage gevolgd door een A, heeft gekregen.
Later groeide hieruit een type ‘twee-eengezinshuizen boven elkaar’, wat men tegenwoordig ‘maisonnette’ zou noemen. Voorbeelden hiervan zijn Voltastraat 18-28. Ook enkele winkelpanden aan de Valeriusstraat vertonen deze indeling.
Woningtypen
In het vooroorlogse Duinoord vindt men een grote variëteit aan woningtypen, die overigens geen van alle specifiek Duinoords zijn, maar wel typisch Haags.
Allereerst zijn er vrijstaande villa’s langs de Groothertoginnelaan en de herenhuizen van het Sweelinckplein. Deze panden verdienen eigenlijk een aparte behandeling, want zij zijn onderling zo verschillend, dat van een ‘type’ geen sprake is. We beperken ons nu tot de meer ‘gewone’ woonhuizen.
Verspreid door de wijk vindt men dan de eengezinshuizen, die meestal drie bouwlagen en acht of meer kamers bevatten. De globale indeling van deze huizen is vrijwel uniform. Doordat de eengezinshuizen nogal groot waren en daardoor niet voor iedereen betaalbaar, heeft men deze typen vaak opgesplitst in beneden- en bovenwoningen. Er ontstonden dan onmiddellijk problemen met de indelingen: het (dubbele) bovenhuis bevatte zes of meer kamers, terwijl het beneden huis slechts over de ‘suite’ met ‘serre’ beschikte. De oplossing werd gevonden door in het achterterrein een uitbouw te maken, zodat het benedenhuis twee of meer slaapkamers kreeg. Deze bouwwijze is goed te zien aan de Conradkade, waar men naast de trambaan de uitbouwen van de huizen van de Obrechtstraat kan gadeslaan.
Eigenlijk was deze bouwwijze zeer onpraktisch: men moest via de keuken naar de slaapvertrekken, de uitbouw had veel (koude en vochtige) buitenmuren en de toetreding van licht en licht was gering. Na 1900 vond men ook hiervoor weer een oplossing in de zgn. tussenbouw, die vooral in de Archimedesstraat en omgeving wordt aangetroffen. Nu bouwde men de slaapkamers in een kolom tussen twee percelen in; de ene benedenwoning kreeg drie of vier slaapkamers boven elkaar aan de voorzijde, de andere aan de achterzijde. Ook deze bouwwijze heeft niet lang standgehouden, onder meer vanwege de vele bewerkelijke trappenhuizen.
Tegen die tijd deden de eerste portiekwoningen hun intrede, wat eigenlijk flats waren. Ofschoon er in Den Haag later talloze van gebouwd zijn, is dit type in Duinoord dun gezaaid: in de Galvanistraat, de Snelliustraat en aan de Suezkade staan er enkele.
Een heel merkwaardig huizentype vormen de souterrainwoningen, die tamelijk kenmerkend zijn voor deze omgeving, omdat ze vrijwel alleen op zandgrond gebouwd werden: naast Duinoord en omgeving vindt men deze huizen alleen in Scheveningen (badplaats) en op droge stukken van Bezuidenhout. In het veen sporadisch: Regentesseplein en Oranjeplein. Zij kennen een dubbel bovenhuis en een benedenwoning, bestaande uit een souterrain en een eerste etage, de zgn. ‘bel-étage’. Bel-étage heeft overigens niets met de huisbel uitstaande, maar is quasi-Frans (en dus Haags!) en betekent: ‘mooie etage’. Het merkwaardige is dat de benedenwoning twee voordeuren en een binnen- èn een buitentrap heeft. Het souterrain heeft geen bel en geen huisnummer meegekregen. Veel van deze woningen zijn momenteel echter opgesplitst, waarbij de souterraindeur een bel en een huisnummer, meestal het nummer van de bel-étage gevolgd door een A, heeft gekregen.
Later groeide hieruit een type ‘twee-eengezinshuizen boven elkaar’, wat men tegenwoordig ‘maisonnette’ zou noemen. Voorbeelden hiervan zijn Voltastraat 18-28. Ook enkele winkelpanden aan de Valeriusstraat vertonen deze indeling.

Mies Walbeehm - Haagse Achterhuis
In de nacht van 22 op 23 maart 1943 deed de SD (Sicherheitsdienst) met veel machtsvertoon een inval in het Cornerhouse op de hoek van de Reinkenstraat en de Laan van Meerdervoort. De opdracht was een groep van 24 joden weg te halen uit de Reinkenstraat. In het Cornerhouse trof men geen joden aan; het bleek dat het adres niet klopte.
Daarop viel de SD binnen op Reinkenstraat 19 aan de overkant. De SD trof daar 24 joden aan. Met veel geweld werden zij samen met de bewoonster Mies (Sara Maria) Walbeehm afgevoerd naar de gevangenis in Scheveningen. Er volgde een week van verhoor en foltering. Op 1 april werden de joden overgebracht naar de strafbarak van Westerbork. Vijf dagen later werden ze in goederenwagons gezet. Na een verschrikkelijke treinreis van 3 dagen en nachten zonder eten en drinken, in een veel te kleine ruimte, kwamen de bewoners van Reinkenstraat 19 in Sobibor aan. Niemand kwam ooit terug.

Mies Walbeehm
Mies Walbeehm verhuisde in juli 1943 van Scheveningen naar het beruchte strafkamp Vught; zij overleefde de oorlog. Op 2 maart 1948 vertelde zij haar verhaal aan de medewerkers van het RIOD (Rijksdienst voor oorlogsdocumentatie) en noemde de namen van de afgevoerde joden zonder één fout. Mies overleed in 1981.
In 1976 verscheen een artikel over “het Haagse Achterhuis” in de Goudse Courant. Duinoorder Quirinus van der Meer begon gegevens te verzamelen over deze gebeurtenis hetgeen resulteerde in een publicatie in denHaag Westnieuws. Tijdens de herdenking van de 100 jarige Reinkenstraat in 1995 kwam de zaak Reinkenstraat onder de aandacht van winkelier Herman Nijboer. Hij vond dat de herinnering aan zaak Reinkenstraat dreigde weg te zinken in de historie; er moest een tastbare getuigenis komen in de vorm van een plaquette aan de gevel van nummer 19.
Samen met de wijkkrant ’t Lopend Vuurtje” werden binnen (en buiten) Duinoord acties op touw gezet om de daarvoor benodigde gelden bijeen te brengen.
Herman Nijboer wist contact te leggen met Adriana der Harst-Groen, de enige nog in leven zijnde getuige van de inval. In de oorlogsjaren was zij werkzaam bij Mies Walbeehm als hulp in de huishouding. In die hoedanigheid deed zij boodschappen voor de bewoners van Reinkenstraat 19. Zij vertelt:
Het huis van Mies, Reinkenstraat 19, werd gebruikt als doorgangshuis. Vanuit het verzet kwamen steeds nieuwe verzoeken om mensen onder te brengen en Mies zei nooit nee. Het gebeurde dat er gedurende langere tijd ruim 30 mensen zaten ondergedoken. Dat dit niet eenvoudig was, is goed te begrijpen. De ruimte was erg beperkt. Er was een gang, een badkamer met badkuip (waarin ook werd geslapen), en een kamer ensuite van ongeveer negen bij vier.
Mies zelf sliep in de gang onder de kloostertafel. De situatie was vaak onhoudbaar en de kans op ontdekking groot. Wanneer ’s morgens door het verzet twee mensen
werden opgehaald, kwamen er ‘avonds soms weer vijf onderduikers bij. Zo was Mies, ze kon geen nee zeggen.
Natuurlijk waren er veel spanningen; sommigen vonden dat er teveel mensen in het huis zaten. Er was onenigheid over de regels, over de verdeling van het voedsel en over de te betalen vergoeding van 30 gulden per maand. Maar als je geen geld had hoefde je niet te betalen.
Voor Mies was het puur menselijk werken; je kunt het je haast niet voorstellen, als die mensen op die kleine ruimte. Mies probeerde met harde afspraken te voorkomen dat er noodlottige fouten werden gemaakt. Om het gebruik van gas & elektra niet te hoog op te laten lopen waardoor dit zou opvallen, had zij bepaald dan men met z’n tweeën de badkamer moest gebruiken. Het doortrekken van de WC mocht ook niet te vaak gebeuren.
De plaquette hangt
Begin 2002 was er voldoende geld bij elkaar om de plaquette te laten maken.
Enige tijd later, op vrijdag 22 maart, werd de plaquette tijdens een intieme plechtigheid door Adriana van der Harst-Groen en Burgemeester Deetman onthuld. Hierbij was ook Rabbijn Soetendorp aanwezig
Aan de plechtigheid deed groep acht van de Da Costa school mee. De school had de zaak Reinkenstraat als project in het lesprogramma opgenomen. De betekenisvolle buurtmanifestatie in Duinoord werd besloten met een samenzijn van alle betrokkenen in lunchroom Rigter in dezelfde straat.
De plaquette , met daarop een spreuk van Jean Bartout: “ de herinnering aan de doden is voor hen een tweede leven”, siert momenteel de gevel van de Reinkenstraat 19, het huis waarin mensen dankzij een onbaatzuchtig medemens konden schuilen voor een meedogenloos regime. Laat dit een teken aan de wand zijn. Dus, bezoeker van deze site, loop eens langs nummer 19 in de Reinkenstraat , sta even stil bij de plaquette boven de deur en bedenk wat hier in 1943 heeft plaatsgevonden.
Aldus werd het doel van Herman Nijboer, de zaak Reinkenstraat 19 aan de vergetelheid te ontrukken, ruimschoots gehaald. Zonder zijn inspanningen zou dit niet gelukt zijn.
De inval van de SD in de Reinkenstraat 19, die gebruik maakte van foute Haagse dienders, is uitvoerig behandeld in het Rapport Weinreb. De rol die Weinreb in de zaak Reinkenstraat heeft gespeeld is nooit duidelijk geworden, maar het is niet onmogelijk dat hij de hand heeft gehad in het verraad van de onderduikers van Reinkenstraat 19, het Haagse Achterhuis.