Duinoord

De wijk Duinoord is een bijzondere wijk door zijn ontstaansgeschiedenis en door zijn architectuur. Dit bijzondere karakter komt tot uitdrukking op dit deel van de website. Aanvullingen zijn van harte welkom op webredactie@duinoord-denhaag.nl.

Geschiedenis Duinoord

De geschiedenis van de wijk Duinoord is rijk. Op deze pagina's gaan we in op de architectuur, het ontstaan van Duinoord, de voorgeschiedenis, verdwenen straten en woningtypen.

Voorgeschiedenis

Voorgeschiedenis

Het gebied, waarop zich nu de wijk Duinoord bevindt, bestond vroeger uit een heuvelachtig duinlandschap. Het waren geen hoge duinen, zoals we die aantreffen in het Westduinpark en achter de Watertoren, maar lage bultjes, die ook wel klingen of oude duinen genoemd worden. Aan de Daal en Bergselaan is dit landschap nog te zien in het stukje natuurreservaat ‘Wapendal’.

Bos was er nauwelijks in het ‘voorhistorische’ Duinoord, wel laag struikgewas, af en toe een tegen de zeewind opgewassen boom en slanke toppen. De populatie konijnen moet overvloedig geweest zijn, getuige de verhalen over jacht en stroperij. Het Duinoordse klingengebied was een langgerekte strook (strandwal), ruwweg begrensd door de Laan van Meerdervoort en de Haagse Beek, die langs het huidige Stadhoudersplantsoen en de Sportlaan ‘stroomt’. Het dal waardoor de Beek loopt heet Segbroek. Langs de Beek lagen enige boerderijen, waarvan de namen nog voortleven in straatnamen: Kranenburg, dat ooit een echt kasteel is geweest, Hanenburg, Daal en Berg, Houtrust, Berg en Dal en Meer en Bos zijn de enige boerderijen die nog (gedeeltelijk) overgebleven zijn.

Op de kaart van Kruikius uit 1712 komt op de plaats waar nu het Sweelinckplein ligt de veldnaam ‘Slagvelt Op Den Engel’ voor. De betekenis hiervan is niet geheel duidelijk. Men moet zich in ieder geval niet voorstellen dat zich daar bloederige taferelen hebben afgespeeld, want dan zou de geschiedenis er zeker melding van gemaakt hebben. Sommigen menen dat ‘slagvel’ duidt op een gebied doorsneden met slagen, dat zijn karresporen door de duinen (Frankenslag, Rijslag, Kolenwaagenslag). Een andere mogelijke verklaring is de betekenis die Van Dale nu nog geeft: een vlakgemaakte plaats waarop de slagen turf worden neergezet om te drogen. Immers, in het gebied ten zuiden van de Laan van Meerdervoort (genaamd Het Kleine Veentje) werd in die tijd op daarvoor geschikte plekken turf gestoken. Dit geschiedde altijd zo dicht mogelijk bij de stad in verband met het transport. De betekenis van ‘Op den Engel’, waarvan het trefcentrum zijn naam ontleent, is nog niet achterhaald. De naam heeft ook maar kort bestaan, want op de kaarten komt hij niet meer voor.

Ontstaan van Duinoord

Voorgeschiedenis

Het gebied, waarop zich nu de wijk Duinoord bevindt, bestond vroeger uit een heuvelachtig duinlandschap. Het waren geen hoge duinen, zoals we die aantreffen in het Westduinpark en achter de Watertoren, maar lage bultjes, die ook wel klingen of oude duinen genoemd worden. Aan de Daal en Bergselaan is dit landschap nog te zien in het stukje natuurreservaat ‘Wapendal’.

Bos was er nauwelijks in het ‘voorhistorische’ Duinoord, wel laag struikgewas, af en toe een tegen de zeewind opgewassen boom en slanke toppen. De populatie konijnen moet overvloedig geweest zijn, getuige de verhalen over jacht en stroperij. Het Duinoordse klingengebied was een langgerekte strook (strandwal), ruwweg begrensd door de Laan van Meerdervoort en de Haagse Beek, die langs het huidige Stadhoudersplantsoen en de Sportlaan ‘stroomt’. Het dal waardoor de Beek loopt heet Segbroek. Langs de Beek lagen enige boerderijen, waarvan de namen nog voortleven in straatnamen: Kranenburg, dat ooit een echt kasteel is geweest, Hanenburg, Daal en Berg, Houtrust, Berg en Dal en Meer en Bos zijn de enige boerderijen die nog (gedeeltelijk) overgebleven zijn.

Op de kaart van Kruikius uit 1712 komt op de plaats waar nu het Sweelinckplein ligt de veldnaam ‘Slagvelt Op Den Engel’ voor. De betekenis hiervan is niet geheel duidelijk. Men moet zich in ieder geval niet voorstellen dat zich daar bloederige taferelen hebben afgespeeld, want dan zou de geschiedenis er zeker melding van gemaakt hebben. Sommigen menen dat ‘slagvel’ duidt op een gebied doorsneden met slagen, dat zijn karresporen door de duinen (Frankenslag, Rijslag, Kolenwaagenslag). Een andere mogelijke verklaring is de betekenis die Van Dale nu nog geeft: een vlakgemaakte plaats waarop de slagen turf worden neergezet om te drogen. Immers, in het gebied ten zuiden van de Laan van Meerdervoort (genaamd Het Kleine Veentje) werd in die tijd op daarvoor geschikte plekken turf gestoken. Dit geschiedde altijd zo dicht mogelijk bij de stad in verband met het transport. De betekenis van ‘Op den Engel’, waarvan het trefcentrum zijn naam ontleent, is nog niet achterhaald. De naam heeft ook maar kort bestaan, want op de kaarten komt hij niet meer voor.

Ontstaan van Duinoord

Men kan zich afvragen waarom het hoge, droge zandgebied pas betrekkelijk laat werd bebouwd, later dan de Zeeheldenbuurt en het Regentessekwartier in het onaantrekkelijke natte veen. Wel, in de eerste plaats breidde Den Haag zich vanuit het centrum uit en werd bij voorkeur eerst het dichtbijgelegen gebied bebouwd.

In de tweede plaats was daar waarschijnlijk de grond goedkoper of gemakkelijker te verwerven van de domeinen van de Groothertogin van Saxen-Weimar en de familie Goekoop, die op de Zorgvliet woonde.

In de derde plaats moest de heuvelachtige grond bouwrijp gemaakt worden, waartoe veel zand afgevoerd diende te worden. Dit laatste kwam pas goed op gang bij de aanleg van de Rijnspoorweg in de laatste helft van de vorige eeuw. Er werden afzanderijvaarten gegraven (Waldeck Pyrmontkade en Valkenboskade) waarover het zand per schuit werd afgevoerd. Wanneer u nu met de trein naar Gouda reist, rijdt u over het zand waaruit vroeger de Duinoordse klingen bestonden. Een ander deel van het zand was bestemd voor stratenaanleg in de schilderswijk, die op veen gebouwd is.

Eerst na de afzandingen konden definitieve plannen voor woningbouw gemaakt worden, waartoe de bankier Scheurleer in 1891 het initiatief nam. Zijn opzet was heel anders dan de recht-toe-recht-aan-wijken, die eerder gebouwd waren: de wijk zou ruim en speels van opzet worden, wat hier wel mogelijk was door de vraag naar huizen van oud-kolonialen: zij zaten niet slecht in hun slappe was en uit angst voor malaria wilden zij absoluut niet op het vochtige veen wonen. De Haagsche Bouwgrond-Maatschappij ‘Duinoord’ , waarnaar de wijk is genoemd, kon zijn gang gaan. Er werd zelfs een prijsvraag uitgeschreven voor gevelontwerpen, waarvan de eerste prijs op de hoek van het Sweelinckplein en de Banstraat nog altijd te zien is.

Verdwenen straten

Verdwenen straten

Van het oorspronkelijke stratenplan is nog veel in tact. Een uitzondering daarop vormt het gebied langs de huidige Kennedylaan. In de Tweede Wereldoorlog is hier de bebouwing gesloopt voor de aanleg van de Atlantikwall.

Tot de Tweede Wereldoorlog maakten ook de Verhulststraat en de Dunklerstraat deel uit van Duinoord. In het Gemeentearchief zijn foto's te vinden over de Dunklerstraat (Foto's uit het Gemeentearchief) en de Verhulststraat (Foto's uit het Gemeentearchief).

Dunklerstraat

De eerste Dunklerstraat werd aangelegd in 1901 en werd in 1943 door de Duitse bezetter afgebroken vanwege de Atlantikwall. In 1951 stond de straat er opnieuw. De Dunklerstraat loopt van de 2e Schuytstraat naar de Conradkade en werd genoemd naar de muzikant Frans Dunkler jr. Vader Dunkler genoot al enige bekendheid op het gebied van de militaire muziek; hij schopte het tot kapelmeester van het muziekcorps van het regiment Grenadiers en Jagers. Frans deed het nog beter. Hij had goed naar vaders' muziek en raad geluisterd; Pa was dan ook trots op hem. Frans Dunkler werd in 1816 geboren. Op zijn dertiende jaar- in 1829 - trad hij met speciale toestemming toe tot het muziekcorps van het regiment Grenadiers en Jagers, waar zijn vader dirigent van was.

Frans wist aardig zijn weg op de klarinet, maar ook op de trombone kon hij een leuk nummertje wegblazen. Zo'n combinatie van blaasinstrumenten is niet gemakkelijk omdat ieder instrument zijn unieke embouchure (lippenstand) heeft. De geschiedenis vermeldt niet of Frans beide instrumenten ooit tegelijkertijd heeft bespeeld. Misschien gebeurde dit in 1830 tijdens de hectiek van de Tiendaagse veldtocht tegen de opstandige Belgen, waarin Frans muzikaal meehielp het moreel van de Nederlandse troepen hoog te houden. Op het slagveld verscheen het volgende met kruitdamp doorregen geschrift:

"Oranje prijkt weer aan uw spits
Zijn vederdos is weer uw gids
In 's vijands digste legerbenden;
De held van Waterloo daagt op,
Hij plet des muitlings trotschen kop
En kneust met ijzren voet zijn lenden"

Toen de Franse troepen het strijdtoneel betraden was het spel uit. Noord- en Zuid Nederland gingen definitief uit elkaar en de Belgen mochten het alleen proberen en omdat we toch niets anders te doen hadden gingen we maar tegen elkaar voetballen. Frans en de zijnen moest de aftocht blazen, terwijl zijn vader de maat erin hield. De Belgen verloren 91 man; de Nederlanders 112.

Frans maakte verder carrière in het leger. Hij was al adjudant- onderofficier en in 1861 werd hij door koning Willem III tot officier benoemd met de titel Directeur der Muziek. Onder zijn bezielende leiding steeg het muziekcorps van het regiment Grenadiers en Jagers muzikaal tot grote hoogte. In 1867 behaalde Frans Dunkler met zijn kapel de tweede prijs op een internationaal muziekconcours in Parijs. En dat terwijl ze alleen nog maar aan het inblazen waren! Beoefenaars van militaire muziek zien de naam "Dunkler" vaak boven 't partituur staan want Frans Dunkler bewerkte talloze muziekstukken voor harmonieorkest. Of zoals onze zuiderburen zeggen, blaasmuziek.
In 1887 blies Frans zijn laatste adem uit, ditmaal zonder klarinet.

Foto's uit het Gemeentearchief

Architectuur & woningtypen

Architectuur

De meeste huizen in Oud-Duinoord (het gebied ingesloten door de Laan van Meerdervoort, de Conradkade en de Groothertoginnelaan) zijn gebouwd aan het einde van de 19e eeuw. Toen was in de bouwkunst de Neo-Renaissance erg in zwang, soms gemengd met Romaanse en Gotische elementen. Kenmerkend zijn de rijke versieringen, torentjes en erkers, en het gebruik van (namaak)natuursteen. In plafonds en consoles vindt men dikwijls gezichten gebeeldhouwd, ook dierekoppen. De meeste elementen zijn opgerakeld uit de Renaissance-tijd. Voorbeelden te over op het Sweelinckplein.

Na de eeuwwisseling werd de Neo-Renaissance geleidelijk verdrongen door een geheel nieuwe stijl, die voor uit Oostenrijk en België afkomstig was: de Art-Nouveau of Jugendstil, hier ook wel spottend krullemie- of vermicellistijl genoemd. Met de traditie werd gebroken en men wilde geen elementen uit vroege bouwstijlen meer toepassen.

In Den Haag, de enige Nederlandse stad waar Art-Nouveau op grote schaal is toegepast, verliep deze overgang erg schuchter; echte Art-Nouveau is dan ook in Duinoord nauwelijks te vinden. Veel panden vertonen een menging van deze stijl met enige Neo-Renaissance-elementen. De Jugendstil kenmerkt zich door gebogen en gebroken lijnen, loze balustrades, staalconstructies en gekleurde baksteen. Natuursteen wordt weinig toegepast. Men moet vooral letten op raamindeling, smeedijzeren balconbalustrades, en glas-in-lood. Ook typerend is de eenvoudige plafonversiering ten opzichte van de voorgaande periode.

In Oud-Duinoord treft men Art-Nouveau aan in het laatste deel van de 2e Schuytstraat en Obrechtstraat, terwijl Nieuw-Duinoord, dat in de oorlog voor meer dan de helft is afgebroken, vrijwel geheel in Art-Nouveau is opgetrokken. De omgeving Archimedesstraat bestaat eveneens voornamelijk uit Art-Nouveau, hoewel sterk vereenvoudigd. Bijzondere aandacht verdienen enige panden aan de Laan van Meerdervoort, vanaf nummer 213 (Boekhandel Hoonhoud), die zelfs op de monumentenlijst staan.

Woningtypen

In het vooroorlogse Duinoord vindt men een grote variëteit aan woningtypen, die overigens geen van alle specifiek Duinoords zijn, maar wel typisch Haags.

Allereerst zijn er vrijstaande villa’s langs de Groothertoginnelaan en de herenhuizen van het Sweelinckplein. Deze panden verdienen eigenlijk een aparte behandeling, want zij zijn onderling zo verschillend, dat van een ‘type’ geen sprake is. We beperken ons nu tot de meer ‘gewone’ woonhuizen.

Verspreid door de wijk vindt men dan de eengezinshuizen, die meestal drie bouwlagen en acht of meer kamers bevatten. De globale indeling van deze huizen is vrijwel uniform. Doordat de eengezinshuizen nogal groot waren en daardoor niet voor iedereen betaalbaar, heeft men deze typen vaak opgesplitst in beneden- en bovenwoningen. Er ontstonden dan onmiddellijk problemen met de indelingen: het (dubbele) bovenhuis bevatte zes of meer kamers, terwijl het beneden huis slechts over de ‘suite’ met ‘serre’ beschikte. De oplossing werd gevonden door in het achterterrein een uitbouw te maken, zodat het benedenhuis twee of meer slaapkamers kreeg. Deze bouwwijze is goed te zien aan de Conradkade, waar men naast de trambaan de uitbouwen van de huizen van de Obrechtstraat kan gadeslaan.

Eigenlijk was deze bouwwijze zeer onpraktisch: men moest via de keuken naar de slaapvertrekken, de uitbouw had veel (koude en vochtige) buitenmuren en de toetreding van licht en licht was gering. Na 1900 vond men ook hiervoor weer een oplossing in de zgn. tussenbouw, die vooral in de Archimedesstraat en omgeving wordt aangetroffen. Nu bouwde men de slaapkamers in een kolom tussen twee percelen in; de ene benedenwoning kreeg drie of vier slaapkamers boven elkaar aan de voorzijde, de andere aan de achterzijde. Ook deze bouwwijze heeft niet lang standgehouden, onder meer vanwege de vele bewerkelijke trappenhuizen.

Tegen die tijd deden de eerste portiekwoningen hun intrede, wat eigenlijk flats waren. Ofschoon er in Den Haag later talloze van gebouwd zijn, is dit type in Duinoord dun gezaaid: in de Galvanistraat, de Snelliustraat en aan de Suezkade staan er enkele.

Een heel merkwaardig huizentype vormen de souterrainwoningen, die tamelijk kenmerkend zijn voor deze omgeving, omdat ze vrijwel alleen op zandgrond gebouwd werden: naast Duinoord en omgeving vindt men deze huizen alleen in Scheveningen (badplaats) en op droge stukken van Bezuidenhout. In het veen sporadisch: Regentesseplein en Oranjeplein. Zij kennen een dubbel bovenhuis en een benedenwoning, bestaande uit een souterrain en een eerste etage, de zgn. ‘bel-étage’. Bel-étage heeft overigens niets met de huisbel uitstaande, maar is quasi-Frans (en dus Haags!) en betekent: ‘mooie etage’. Het merkwaardige is dat de benedenwoning twee voordeuren en een binnen- èn een buitentrap heeft. Het souterrain heeft geen bel en geen huisnummer meegekregen. Veel van deze woningen zijn momenteel echter opgesplitst, waarbij de souterraindeur een bel en een huisnummer, meestal het nummer van de bel-étage gevolgd door een A, heeft gekregen.

Later groeide hieruit een type ‘twee-eengezinshuizen boven elkaar’, wat men tegenwoordig ‘maisonnette’ zou noemen. Voorbeelden hiervan zijn Voltastraat 18-28. Ook enkele winkelpanden aan de Valeriusstraat vertonen deze indeling.

Woningtypen

Woningtypen

In het vooroorlogse Duinoord vindt men een grote variëteit aan woningtypen, die overigens geen van alle specifiek Duinoords zijn, maar wel typisch Haags.

Allereerst zijn er vrijstaande villa’s langs de Groothertoginnelaan en de herenhuizen van het Sweelinckplein. Deze panden verdienen eigenlijk een aparte behandeling, want zij zijn onderling zo verschillend, dat van een ‘type’ geen sprake is. We beperken ons nu tot de meer ‘gewone’ woonhuizen.

Verspreid door de wijk vindt men dan de eengezinshuizen, die meestal drie bouwlagen en acht of meer kamers bevatten. De globale indeling van deze huizen is vrijwel uniform. Doordat de eengezinshuizen nogal groot waren en daardoor niet voor iedereen betaalbaar, heeft men deze typen vaak opgesplitst in beneden- en bovenwoningen. Er ontstonden dan onmiddellijk problemen met de indelingen: het (dubbele) bovenhuis bevatte zes of meer kamers, terwijl het beneden huis slechts over de ‘suite’ met ‘serre’ beschikte. De oplossing werd gevonden door in het achterterrein een uitbouw te maken, zodat het benedenhuis twee of meer slaapkamers kreeg. Deze bouwwijze is goed te zien aan de Conradkade, waar men naast de trambaan de uitbouwen van de huizen van de Obrechtstraat kan gadeslaan.

Eigenlijk was deze bouwwijze zeer onpraktisch: men moest via de keuken naar de slaapvertrekken, de uitbouw had veel (koude en vochtige) buitenmuren en de toetreding van licht en licht was gering. Na 1900 vond men ook hiervoor weer een oplossing in de zgn. tussenbouw, die vooral in de Archimedesstraat en omgeving wordt aangetroffen. Nu bouwde men de slaapkamers in een kolom tussen twee percelen in; de ene benedenwoning kreeg drie of vier slaapkamers boven elkaar aan de voorzijde, de andere aan de achterzijde. Ook deze bouwwijze heeft niet lang standgehouden, onder meer vanwege de vele bewerkelijke trappenhuizen.

Tegen die tijd deden de eerste portiekwoningen hun intrede, wat eigenlijk flats waren. Ofschoon er in Den Haag later talloze van gebouwd zijn, is dit type in Duinoord dun gezaaid: in de Galvanistraat, de Snelliustraat en aan de Suezkade staan er enkele.

Een heel merkwaardig huizentype vormen de souterrainwoningen, die tamelijk kenmerkend zijn voor deze omgeving, omdat ze vrijwel alleen op zandgrond gebouwd werden: naast Duinoord en omgeving vindt men deze huizen alleen in Scheveningen (badplaats) en op droge stukken van Bezuidenhout. In het veen sporadisch: Regentesseplein en Oranjeplein. Zij kennen een dubbel bovenhuis en een benedenwoning, bestaande uit een souterrain en een eerste etage, de zgn. ‘bel-étage’. Bel-étage heeft overigens niets met de huisbel uitstaande, maar is quasi-Frans (en dus Haags!) en betekent: ‘mooie etage’. Het merkwaardige is dat de benedenwoning twee voordeuren en een binnen- èn een buitentrap heeft. Het souterrain heeft geen bel en geen huisnummer meegekregen. Veel van deze woningen zijn momenteel echter opgesplitst, waarbij de souterraindeur een bel en een huisnummer, meestal het nummer van de bel-étage gevolgd door een A, heeft gekregen.

Later groeide hieruit een type ‘twee-eengezinshuizen boven elkaar’, wat men tegenwoordig ‘maisonnette’ zou noemen. Voorbeelden hiervan zijn Voltastraat 18-28. Ook enkele winkelpanden aan de Valeriusstraat vertonen deze indeling.

Mies Walbeehm - Haags Achterhuis

Mies Walbeehm - Haagse Achterhuis

In de nacht van 22 op 23 maart 1943 deed de SD (Sicherheitsdienst) met veel machtsvertoon een inval in het Cornerhouse op de hoek van de Reinkenstraat en de Laan van Meerdervoort. De opdracht was een groep van 24 joden weg te halen uit de Reinkenstraat. In het Cornerhouse trof men geen joden aan; het bleek dat het adres niet klopte.
Daarop viel de SD binnen op Reinkenstraat 19 aan de overkant. De SD trof daar 24 joden aan. Met veel geweld werden zij samen met de bewoonster Mies (Sara Maria) Walbeehm afgevoerd naar de gevangenis in Scheveningen. Er volgde een week van verhoor en foltering. Op 1 april werden de joden overgebracht naar de strafbarak van Westerbork. Vijf dagen later werden ze in goederenwagons gezet. Na een verschrikkelijke treinreis van 3 dagen en nachten zonder eten en drinken, in een veel te kleine ruimte, kwamen de bewoners van Reinkenstraat 19 in Sobibor aan. Niemand kwam ooit terug.

Mies Walbeehm

Mies Walbeehm verhuisde in juli 1943 van Scheveningen naar het beruchte strafkamp Vught; zij overleefde de oorlog. Op 2 maart 1948 vertelde zij haar verhaal aan de medewerkers van het RIOD (Rijksdienst voor oorlogsdocumentatie) en noemde de namen van de afgevoerde joden zonder één fout. Mies overleed in 1981.

In 1976 verscheen een artikel over “het Haagse Achterhuis” in de Goudse Courant. Duinoorder Quirinus van der Meer begon gegevens te verzamelen over deze gebeurtenis hetgeen resulteerde in een publicatie in denHaag Westnieuws. Tijdens de herdenking van de 100 jarige Reinkenstraat in 1995 kwam de zaak Reinkenstraat onder de aandacht van winkelier Herman Nijboer. Hij vond dat de herinnering aan zaak Reinkenstraat dreigde weg te zinken in de historie; er moest een tastbare getuigenis komen in de vorm van een plaquette aan de gevel van nummer 19.
Samen met de wijkkrant ’t Lopend Vuurtje” werden binnen (en buiten) Duinoord acties op touw gezet om de daarvoor benodigde gelden bijeen te brengen.
Herman Nijboer wist contact te leggen met Adriana der Harst-Groen, de enige nog in leven zijnde getuige van de inval. In de oorlogsjaren was zij werkzaam bij Mies Walbeehm als hulp in de huishouding. In die hoedanigheid deed zij boodschappen voor de bewoners van Reinkenstraat 19. Zij vertelt:

Het huis van Mies, Reinkenstraat 19, werd gebruikt als doorgangshuis. Vanuit het verzet kwamen steeds nieuwe verzoeken om mensen onder te brengen en Mies zei nooit nee. Het gebeurde dat er gedurende langere tijd ruim 30 mensen zaten ondergedoken. Dat dit niet eenvoudig was, is goed te begrijpen. De ruimte was erg beperkt. Er was een gang, een badkamer met badkuip (waarin ook werd geslapen), en een kamer ensuite van ongeveer negen bij vier.
Mies zelf sliep in de gang onder de kloostertafel. De situatie was vaak onhoudbaar en de kans op ontdekking groot. Wanneer ’s morgens door het verzet twee mensen
werden opgehaald, kwamen er ‘avonds soms weer vijf onderduikers bij. Zo was Mies, ze kon geen nee zeggen.
Natuurlijk waren er veel spanningen; sommigen vonden dat er teveel mensen in het huis zaten. Er was onenigheid over de regels, over de verdeling van het voedsel en over de te betalen vergoeding van 30 gulden per maand. Maar als je geen geld had hoefde je niet te betalen.
Voor Mies was het puur menselijk werken; je kunt het je haast niet voorstellen, als die mensen op die kleine ruimte. Mies probeerde met harde afspraken te voorkomen dat er noodlottige fouten werden gemaakt. Om het gebruik van gas & elektra niet te hoog op te laten lopen waardoor dit zou opvallen, had zij bepaald dan men met z’n tweeën de badkamer moest gebruiken. Het doortrekken van de WC mocht ook niet te vaak gebeuren.

De plaquette hangt

Begin 2002 was er voldoende geld bij elkaar om de plaquette te laten maken.
Enige tijd later, op vrijdag 22 maart, werd de plaquette tijdens een intieme plechtigheid door Adriana van der Harst-Groen en Burgemeester Deetman onthuld. Hierbij was ook Rabbijn Soetendorp aanwezig
Aan de plechtigheid deed groep acht van de Da Costa school mee. De school had de zaak Reinkenstraat als project in het lesprogramma opgenomen. De betekenisvolle buurtmanifestatie in Duinoord werd besloten met een samenzijn van alle betrokkenen in lunchroom Rigter in dezelfde straat.

De plaquette , met daarop een spreuk van Jean Bartout: “ de herinnering aan de doden is voor hen een tweede leven”, siert momenteel de gevel van de Reinkenstraat 19, het huis waarin mensen dankzij een onbaatzuchtig medemens konden schuilen voor een meedogenloos regime. Laat dit een teken aan de wand zijn. Dus, bezoeker van deze site, loop eens langs nummer 19 in de Reinkenstraat , sta even stil bij de plaquette boven de deur en bedenk wat hier in 1943 heeft plaatsgevonden.

Aldus werd het doel van Herman Nijboer, de zaak Reinkenstraat 19 aan de vergetelheid te ontrukken, ruimschoots gehaald. Zonder zijn inspanningen zou dit niet gelukt zijn.

De inval van de SD in de Reinkenstraat 19, die gebruik maakte van foute Haagse dienders, is uitvoerig behandeld in het Rapport Weinreb. De rol die Weinreb in de zaak Reinkenstraat heeft gespeeld is nooit duidelijk geworden, maar het is niet onmogelijk dat hij de hand heeft gehad in het verraad van de onderduikers van Reinkenstraat 19, het Haagse Achterhuis.

Stratenboek


De wijk Duinoord is eind 19e, begin 20e eeuw gebouwd. Een periode van snel wisselende architectuuropvattingen. Daardoor draagt het eigen karakter van iedere straat bij aan de schoonheid van Duinoord.
De historie van de Duinoordse straten komt in dit virtuele stratenboek tot leven. De basis voor het stratenboek is gelegd door Harry van Hemert in 't Lopend Vuurtje. Jarenlang beschreef hij daarin in elk nummer een Duinoordse straat. Aanvullingen zijn van harte welkom op webredactie@duinoord-denhaag.nl.

Archimedesstraat

Archimedestraat


Grotere kaart weergeven

Archimedes
De straat is vernoemd naar de Griekse wis- en natuurkundige Archimedes (287-212 v.C.).

Archimedes werd geboren in Syracuse in 287 v.Chr. Hij was de zoon van de sterrenkundige Phidias, waarover verder niets bekend is, en behoorde tot de familie van Hiëro II, de toenmalige tiran van Syracuse. Zoals vele anderen in zijn tijd die kennis zochten werd hij aangetrokken door de roem van de wetenschappers in Alexandrië. Dit was de kosmopolitische hoofdstad van Egypte en tevens de voornaamste hellenistische'universiteitsstad' met zijn befaamde bibliotheek. Archimedes ging er onder andere wiskunde studeren bij de leerlingen van Euclides. Hij leerde er ook Eratosthenes kennen. Waarschijnlijk heeft hij hier ook het principe van zijn waterschroef ontdekt of, als het al bestond, verder geperfectioneerd. Deze wordt nog steeds in Egypte gebruikt om de akkers te bevloeien.

Na zijn studie keerde hij naar Syracuse terug en legde zich toe op alle onderdelen van de wiskunde en de fysica, van de zuivere wiskunde tot de praktische mechanica. Volgens de overlevering is Archimedes de rest van zijn leven nooit meer naar Alexandrië gereisd maar hij onderhield wel een levendige schriftelijke correspondentie met de geleerden en filosofen die er werkten. De resultaten van zijn onderzoeken beschreef Archimedes in een reeks monografieën, die opvallen door helderheid en oorspronkelijkheid. Tien van deze monografieën zijn bewaard gebleven.

Eureka!
De ontdekking van de naar hem genoemde wet van Archimedes stelde hem in staat te bewijzen dat een gouden kroon van Hiëro II door de edelsmid was vervalst door toevoeging van zilver. Een anekdote vertelt dat hij, toen hij het theoretische bewijs had gevonden toen hij in bad zat, enthousiast uit bad sprong en naakt de straat op liep en schreeuwde: "Eureka, eureka!" (= "Ik heb (het) gevonden, ik heb (het) gevonden!").

Maar voor de meeste tijdgenoten was Archimedes vooral de uitvinder van allerhande oorlogsmachines, apparaten, hijskranen en katrollen. In de Eerste Punische Oorlog koos Syracuse in eerste instantie de zijde van de Romeinen. Maar toen Hieron II stierf, koos zijn opvolger de zijde van Carthago en bij de Tweede Punische Oorlog werd Syracuse prompt belegerd door de Romeinen. Archimedes vervaardigde verschillende oorlogsmachines om de belegeraars buiten de deur te houden en wist zo een hele tijd de stad onneembaar te houden tot die uiteindelijk in 212 v.Chr. toch werd ingenomen.

Bij de inname van Syracuse werd hij door een overijverige maar onnadenkende Romeinse soldaat gedood. Een anekdote opgetekend door Plutarchus en later Livius vertelt dat Archimedes een wiskundig cirkeldiagram in het zand of op de vloer had getekend en hierover aan het denken was. De soldaat kwam binnen en liep over de tekening. Archimedes riep verstrooid: Verstoor mijn cirkels niet! . Hierop ontstak de soldaat in woede en doodde de toen hoogbejaarde Archimedes met zijn zwaard. Dit werd overigens zeer betreurd door de Romeinse bevelvoerder Marcus Marcellus die een groot bewonderaar was van de bij zijn leven al beroemde Griekse geleerde. Marcellus had opdracht gegeven Archimedes levend gevangen te nemen om hem mee te nemen naar Rome en hoogstwaarschijnlijk is het daarom met de onnadenkende soldaat die Marcellus' bevel in de wind sloeg niet goed afgelopen. In plaats van Archimedes naar Rome te sturen werden nu alleen zijn geschriften en de in zijn opdracht vervaardigde natuurkundige modellen verzameld - waaronder het oudste bekende planetarium - en naar Rome gestuurd. Volgens verscheidene berichten van kroniekschrijvers waren deze daar nog lang te bezichtigen.

Archimedes' lichaam werd begraven op de grote begraafplaats van Syracuse en nog eeuwen later werd zijn graf aan toeristen getoond. Zo is er een verslag bekend van Cicero die op zoek was naar het graf toen hij Quaestor van Sicilië was. Op het graf stond een cilinder in een bol. Volgens Archimedes was zijn belangrijkste ontdekking de verhouding tussen het volume van de cilinder en de bol.

Na Archimedes' dood bleek overigens dat hij vaak had nagelaten de principes van zijn uitvindingen in geschriften vast te leggen. Dit geeft aan dat Archimedes meer geïnteresseerd was in ontdekkingen doen dan in eigen roem. Hij beschouwde zijn werk waarschijnlijk alleen als een aangenaam tijdverdrijf of als 'hobby', vooral zijn praktische werkzaamheden. In de Oudheid stond namelijk het praktische handwerk van de ambachtsman of 'ingenieur' of 'technicus' in laag aanzien en een 'heer van stand' hield zich daar verre van.

Foto's uit het Gemeentearchief

Bron: wikipedia

Banstraat

Banstraat


Grotere kaart weergeven

Joan Ban
Joan Albert Ban (Haarlem, ongeveer 1597 - Haarlem, 1644) was een Nederlandse rooms-katholieke priester, rechtsgeleerde, kanunnik, componist en muziektheoreticus. Ban was ook wel bekend als Joannes Albertus Bannius, Johan Albert Ban en Johan Albert Bannius

Als componist was hij volledig autodidact. In 1628 werd hij kanunnik in Haarlem. Hij was onder meer bevriend met René Descartes, Pieter Corneliszoon Hooft en Constantijn Huygens en correspondeerde met Marin Mersenne.

Gedurende twintig jaar wijdde Ban zich aan de ontwikkeling van een systeem waarin de tekst muzikaal wordt uitgedrukt door middel van specifieke intervallen, harmonieën en ritmes. Deze ’methode’ sluit aan bij de Italiaanse madrigalen van die tijd. Zijn systeem noemt hij musica flexamina of zielroerende zang.

Ban correspondeerde hierover met Mersenne en met Huygens, die als tussenpersoon dienst deed. In 1640 overtuigde Mersenne Ban ervan zijn opvattingen over tekstuitdrukking in de muziek toe te passen op een door hem bezorgde liedtekst, Me veux tu voir mourir, om dan Bans compositie te kunnen vergelijken met een compositie van een Fransman op dezelfde tekst. De Franse componist bleek de erg gewaardeerde Anthoine Boësset te zijn, en zijn air de cour bleek al voor de compositiewedstrijd te zijn geschreven. De Fransen vonden de compositie van Boësset beter dan de onverwachte klanken van Ban, waarop Ban zich beledigd voelde. Hij schreef aan Huygens dat de Fransen onbeleefd waren. Descartes mengde zich in de discussie met een brief aan Ban, waarin hij uitlegde dat het in de muziek niet om wetten maar om smaak en conventie draait (R. Rasch, 2007).

Ban paste zijn systeem toe in zijn bundel Zangh-bloemzel, uitgegeven in 1642, dat tien Nederlandstalige driestemmige madrigalen bevat en een instrumentaal werk voor vier viola da gamba’s, Vulcaens Winckel.

Muiderkring

Ban gebruikte voor zijn madrigalen teksten van leden van de Muiderkring; Maria Tesselschade Roemers Visscher, Pieter Corneliszoon Hooft en Constantijn Huygens. Van dit werk is echter geen volledig exemplaar bewaard gebleven; de sopraanpartij ontbreekt.

Eigen Nederlandse termen

De nieuwe Nederlandse muzikale termen die Ban bedacht in zijn Kort Sangh-Bericht vonden weinig weerklank (in tegenstelling tot de Nederlandse wetenschappelijke termen die Simon Stevin bedacht). In de uitgave van Bans Zangh-Bloemzel staat de hele lijst (zie de webstek van Stichting Huygens-Fokker). Hij bedacht woorden als meeklank voor consonant en vierling voor kwart.

Werken

Van Bans werken zijn er maar enkele bewaard gebleven. Bekend zijn Zangh-Bloemzel uit 1642 en Kort Sangh-Bericht uit 1643.

Foto's uit het Gemeentearchief

Bron: wikipedia

Beeklaan

Beeklaan


Grotere kaart weergeven

De Haagse Beek
De Beeklaan loopt van de Hanenburglaan naar de Loosduinseweg en bevindt zich daarmee voor een groot gedeelte in het Valkenboskwartier. Een klein deel hoort tot Duinoord.

De Beeklaan werd begin 1900 aangelegd en werd niet zoals veel gebeurde in Duinoord vernoemd naar een componist of natuurkundige maar naar de Haagse Beek.

De Beek, die in de duinen bij Kijkduin ontspringt en waar deze laan op aan loopt, werd langs Noordeinde, Hoogstraat en Plaats naar de Hofvijver geleid om deze te verversen. Zij vloeide af langs het Spui. Ook nu nog geschiedt de verversing van de Hofvijver en ook van de vijver in de paleistuin door dit beekwater dat ten dele ondergronds daarheen wordt gevoerd. Op een kaart van het hoogheemraadschap van Delfland (1712) staat de Beeklaan al aangegeven, maar vermoedelijk is zij veel ouder. Tot de grenswijziging ingaande 1903 lag de gemeentegrens met Loosduinen bij de zuidelijke gevelwand.
In 1998 onderging de Haagse beek een facelift, de strakke gestoken kanten verdwenen waardoor de beek weer iets van zijn vroegere allure terug kreeg. Het is nog steeds mogelijk om een wandeling te maken langs de Haagse Beek.

Conrad- en Suezkade

Conrad- en Suezkade


Grotere kaart weergeven

De Conradkade loopt voor een deel ook in het Regentessekwartier; van de Marnixstraat naar de Johan de Wittlaan. De Suezkade begint bij de Newtonstraat en stopt bij de Groot Hertoginnelaan. Het zijn echte kades, want het Verversingskanaal vlietert er doorheen. De kades zijn na de goedkeuring van het bouwplan van C.Goekoop in 1885 gebouwd. In het plan was de naamgeving in begrepen. Na de bouw van de Cornerhouse flat in 1930 werd een deel van de Kranenburgerweg omgedoopt in Conradkade om een vernummering van bestaande woningen te voorkomen. Ditmaal geen componist of natuurwetenschapper, maar een echte ingenieur.

Wie was Conrad en wat heeft de Conradkade met de Suezkade te maken?
Frederik Willem Conrad werd op 15 februari 1800 in Spaarndam geboren. Hij had als kind vast veel met zijn meccano gespeeld, want op zijn 17e jaar was hij al aspirant-ingenieur bij Rijkswaterstaat In 1834 werd hij ingenieur eerste klasse. In die tijd begon met in Nederland met de ontwikkeling van het spoorwegnet. Omstreeks 1750 liet men in Engeland al karren rijden over een houten spoor, dat eigenlijk een harde weg was en daardoor een hogere snelheid mogelijk maakte. Die karren werden getrokken door paarden of door kabels die door stilstaande stoommachines werden ingehaald.
De doorbraak kwam toen de Schot Stephenson de stoommachine op een wagen zette, de kracht ervan op de wielen over wist te brengen en deze wagens locomotief (=bewegend vanaf de plaats) maakte. Stephenson noemde zijn locomotief "the Rocket".
Nederland keek met een scheef oog naar het succes van de aanleg van de lijn Liverpool- Manchester in 1830. Voor Frederik Conrad was er werk aan de winkel. Nadat de eerste trein tussen Amsterdam en Haarlem door particulier initiatief in 1839 kon rijden, werd in 1840 de Hollandse IJzeren Spoorwegmaatschappij (HIJSM) opgericht. Fred Conrad trad er gelijk in dienst want hij kon daardoor ook vrij reizen, al was 't maar vast tussen Amsterdam en Haarlem.

Hij werd een kanjer in het ontwerpen van spoorbruggen over de talloze Nederlandse vaarwegen, die natuurlijke obstakels waren voor de aanleg van het spoorwegnet. Die waterwegen waren in die tijd het belangrijkste middel van vervoer dus al die bruggen moesten ook nog 'ns open en dicht kunnen. Fred kon er al z'n vernuft en meccano-ervaring in kwijt, maar toch keerde hij in 1854 weer terug bij Rijkswaterstaat. Alsof hij niet weg geweest was, werd hij onmiddellijk benoemd tot hoofdingenieur 1ste klasse. Maar hij had natuurlijk naam gemaakt en Conrads advies was ook elders hard nodig.

In Egypte haalde men een oud plan uit 1671 van de Duitse wiskundige en filosoof Leibniz uit de kast. Dat plan voorzag in een doorgraving van de landengte van Suez., Al- Suweis, zoals de Egyptenaar zegt. Hierdoor zou een vaarweg ontstaan tussen de Middellandse Zee en Rode Zee. In de Egyptische oudheid hadden de farao's waarschijnlijk daar ook al een kanaal aangelegd, maar dat is later verzand.
Conrad ging naar Egypte om de onderkoning te adviseren. De Fransman Ferdinand de Lesseps kon in 1859 gaan graven, Fred Conrad hield ook 'n oogje in 't zeil en tien jaar later was het Suezkanaal klaar. Het resultaat was een sluisloze vaarweg met een lengte van 161 km dwars door de woestijn en de Bittermeren. Een beetje schip kon er in 15 uur doorheen en de vaarroute naar de Oost werd plotseling 4500 zeemijl korter! (Nederlands-indie kwam plotseling een stukje dichterbij).

Het raadsel van de naamgeving van de Suezkade tegenover de Conradkade is hiermee opgelost: Conrad heeft samen met "zijn" kanaal in Duinoord een plaatsje gekregen. Dus eigenlijk is het Verversingskanaal ook een beetje Suezkanaal. Gelukkig heeft Conrad nog net de opening van het Suezkanaal en de uitvoering van Verdi's gelegenheidsopera Aida in November 1869 mee mogen maken, want hij stierf op 1 februari 1870 te Munchen, ongetwijfeld met een tevreden voorgevoel over de impact van het Suezkanaal op de wereldhandel en natuurlijk op de politiek.

Foto's uit het Gemeentearchief Conradkade
Foto's uit het Gemeentearchief Suezkade

Danckertsstraat


Grotere kaart weergeven

De Danckertsstraat werd in 1901 aangelegd; de straat loopt van de Stadhouderslaan naar de 2e Sweelinckstraat.

Ghiselinus Danckerts werd begin 1500 op het Zeeuwse eiland Tholen geboren. Hij werd geestelijke en was van 1538 tot 1565 als zanger verbonden aan het koor van de Sixtijnse kapel in het Vaticaan. Danckerts componeerde madrigalen, motetten en canons. Net zoals Joan Ban experimenteerde hij met andere muzieksoorten en raakte daarbij betrokken in een methodenstrijd over toonsoorten in de muziek tussen de Portugese componist en muziektheoreticus Vicente Lusitano en zijn Italiaanse tegenhanger Nicola Vicentino. Vicentino beweerde dat alleen de diatonische, chromatische en harmonische toonsoorten van de Griekse muziek de basis voor muziekcomposities zouden moeten zijn. Ghiselinus Danckerts was een fervent medestander van Nicola Vicentino. Ten tijde van Danckerts begon de renaissance te gloren. Die periode kenmerkte zich o.a. door een ongekende nieuwsgierigheid en onderzoeksdrift. Beroemde tijdgenoten van Danckerts waren de “verlichte” geesten Desiderius Erasmus en Thomas More. Danckerts stierf omstreeks 1565.

Foto's uit het Gemeentearchief

Emma- en Waldeck Pyrmontkade


Grotere kaart weergeven

Deze kades vormen samen de mooiste waterweg van Duinoord. De Koningin Emmakade en de Waldeck Pyrmontkade werden omstreeks 1885 aangelegd en lopen van het Koningin Emmaplein tot de Groot Hertoginnelaan. De namen van beide kades vormen de voor- en achternaam van Adelheid Emma Wilhelmina Theresia van Waldeck Pyrmont, die op 2 augustus 1858 te Arolsen in Duitsland werd geboren.

Emma
Emma kwam uit een gezin van zeven kinderen. Haar ouders, Georg Victor, prins van Waldeck Pyrmont en Helena Wilhelmine Henriëtte Pauline Marianne, prinses van Nassau Weilburg, gaven hun kinderen een gedegen christelijke opvoeding. Zo ook aan Emma, die niet alleen leergierig was, maar ook sociaal bewogen. Zij leerde onder andere van haar Engelse gouvernante hoe de toenmalige arbeidsverhoudingen in elkaar staken en dat zou haar later van pas komen.
Daarnaast werd behoorlijk geïnvesteerd in eigenschappen als plichtsbesef en zelfdiscipline. Emma ontwikkelde zich tot een tactvolle en innemende jonge vrouw, nog onwetend van het feit dat zij spoedig het pad zou kruisen van de koning van Nederland, die naarstig op zoek was naar warm, veilig en vooral stabiel nest.

Willem III
Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk werd op 19 februari 1817 te Brussel geboren. Zijn zus, Groothertogin Sophie (zie: Groothertoginnelaan) was duidelijk favoriet van vader koning Willem II en kreeg de meeste aandacht.

Na zijn militaire opleiding moest Willem III, die voortdurend met vader Willem II overhoop lag, zich druk gaan maken over de voortgang van de Oranjedynastie. Die zorg maakte het kiezen van de juiste partner kennelijk niet eenvoudig.
In 1839 trouwde hij met volle nicht Sophia van Württemberg, maar dat werd geen succes.
Toch presteerden ze het om nog drie zoons te krijgen: Willem (1840) Maurits (1843) en Alexander (1851). De prinsen zouden geen lang leven hebben; Willem overleed al in1849; Maurits in 1850. Willem III en Sophia hadden al snel een LAT-relatie, maar er werd nooit officieel gescheiden. Willems moeder Anna Paulowna, probeerde de het huwelijk nog te redden, maar er was geen beginnen aan. De kwestie loste zichzelf op toen gemalin Sophia van Württemberg in 1877 overleed.

Op de versiertoer

Losgeslagen ging Willem op de versiertoer. Hij stortte zich in diverse avontuurtjes met onder
andere barmeisje Elisa Parker, met Emma’s oudere zus Pauline, met andere nicht prinses Elisabeth van Sachsen-Weimar en met de Parijse operazangeres Leonora d’Ambre. Leonora bleek een ware Mabel Wisse Smit avant la lettre. Betoverd verhief Willem haar eigenmachtig in de adelstand tot Comtesse d’Ambroise en zorgde voor een aardig optrekje in Rijswijk met een zakcentje toe. Toen er ook nog getrouwd dreigde te gaan worden, maakte het parlement krachtig bezwaar. Van alle kanten onder druk gezet zag Willem af van dit huwelijk maar hij had haast.
Nauwelijks een jaar later in 1878, maakte hij zijn verloving bekend met de toen twintigjarige Emma van Waldeck Pyrmont. Willem III was toen 61 jaar, oud genoeg om Emma’s opa te kunnen zijn.
Zonder twijfel was Willem’s liaison met Emma van het onbelangrijke vorstenhuis van Waldeck Pyrmont, net zoals die van zus Sophie met de van Sachsen-Weimartjes, gearrangeerd. Er stonden immers dynastieke belangen op het spel. Dat betekende enerzijds het en famille houden van het bezit en anderzijds de noodzaak van een gezond nageslacht.
Dat dit met elkaar op gespannen voet stond is duidelijk. Willems losbandige gedrag dreigde de geloofwaardigheid van het Huis van Oranje en het staatsbestel aan te tasten.
Dus verordonneerde de familie dat Willems’ liefde voor Emma in huize Waldeck Pyrmont spontaan los zou barsten en dat gebeurde ook. Zij traden op 7 januari 1879 in het huwelijk.

Regentes Koningin Emma

Na haar huwelijk volgde Emma haar gemaal naar Nederland. In juni 1879 overleed Willems broer prins Hendrik en in 1884 ook oudste zoon prins Alexander.
Dat was een ramp voor de monarchie, maar gelukkig was in 1880 uit het gezellig samenzijn dochter Wilhelmina geboren.
Dat men dynastiek gezien 101 zoals bij een mannelijke troonopvolger! (Dit protocol is nog niet zo lang geleden geëmancipeerd; de even liever een jongetje had gezien bleek uit het eerbetoon. Wilhelmina kreeg maar 51 saluutschoten in plaats vantuele dochter van Máxima krijgt er nu 101!)

Toch zou Wilhelmina het stokje over moeten nemen. Het huwelijk met Emma had weliswaar een rustgevende invloed op Willem maar zijn gezondheid ging toch achteruit; er werd rekening gehouden met zijn vroegtijdig ontslapen. Willem III was een moeilijk mens en de opkomst van het parlementaire stelsel knabbelde steeds meer aan de macht van de koning.
Kamerlid van Houten meende dat de koning niets meer dan een ornament moest zijn in het parlementaire stelsel. (vergelijk het manifest van D’66 voorman Tom de Graaf)
Anarchist Domela Nieuwenhuis had weinig op met “Koning Gorilla” en moest een tijdje “zakjes plakken” wegens majesteitsschennis.
In 1884 werd Emma aangewezen als eventuele Regentes en toen Willem III in 1890 overleed werd zij dat officieel tot de inhuldiging van Koningin Wilhelmina in september 1898.

Wilhelmina’s huwelijk met Prins Hendrik van Mecklenburg Schwerin in 1901 was een door Emma geregisseerde exercitie, maar men wist niet beter. Tijdens een gezamenlijke Coopertest van tien minuten werd de zaak beklonken. Nadat Hendrik zijn dynastieke bijdrage had geleverd “at hij vervolgens buiten de deur”. In 1909 werd prinses Juliana geboren en het partnerzoekspel begon opnieuw.

Koningin moeder

Emma bleef populair bij het volk. Zij ging wonen in het paleis aan het Lange Voorhout in Den Haag. Als “Koningin der weldadigheid” stortte zij zich op het verlenen van goede werken. Door haar toedoen kwam het eerste Nederlandse sanatorium voor tuberculoselijders tot stand in haar voormalig reserve buitenverblijf Oranje Nassau-Oord te Renkum. Tijdens haar laatste levensfase sloeg de ouderdom snel toe. Emma overleed op 20 Maart 1934 te Den Haag, waar zij ruim bedacht werd met straatnamen: De Emma- en Waldeck Pyrmontkades in Duinoord, de Regentesselaan en Regentesseplein (met gedenknaald) in het Valkenboskwartier, het Emmapark en de Emmastraat in het Bezuidenhout, de Koninginnestraat in de Schilderswijk en het Koningin Emmaplein (Zeeheldenkwartier) .

“The King can do no wrong”

Discussie over de macht van de vorst is van alle tijden. De koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk, zeggen wij in Nederland. Toch is deze positie van de koning de vreemde eend in de democratische bijt. Historisch gezien kan je dan ook een tendens bespeuren van de absolute, onschendbare vorst “bij de gratie Gods” naar een meer symbolische rol van de koning.
De tragiek van de vorstenhuizen was dat zij - zeker vroeger - allerlei dynastieke capriolen uit moesten halen om het voortbestaan ervan zeker te stellen. Binnen eigen grootfamilie trouwen levert dan vaak niet het gewenste resultaat, getuige de drie jong overleden zoons van Willem III. De vraag is waarom het huis Oranje Nassau in dit verband zoveel zaken deed met de tanende Duitse prinsdommen. Zeker is dat het Engelse vorstenhuis in de 19e eeuw niet in aanmerking kwam vanwege de Boerenoorlog in Zuid-Afrika, want in Nederland waren de Boeren toen nogal populair.

Foto's uit het Gemeentearchief (Emmakade)
Foto's uit het Gemeentearchief (Waldeck Pyrmontkade)

Galvanistraat


Grotere kaart weergeven

Ja, die Galvanistraat, dat is niet zo maar een straat, althans voor mezelf. Ik merk dat ik bij deze straat niet kan volstaan met alleen een beschrijving van naamgever Luigi Galvani. De Galvanistraat heeft voor mij een speciaal plekje omdat ik daar in mei ’45 op de eerste etage van nummer 66 geboren ben. Dus moet je het mij niet kwalijk nemen als de belevenissen van Luigi Galvani worden afgewisseld met mijn eerste herinneringen.

De Galvanistraat loopt van de Archimedesstraat naar de Beeklaan en werd in 1903 aangelegd.
De oorlog was in mei ’45 net afgelopen en Duinoord moest net als de rest van Nederland, driftig herrijzen. Beneden op nummer 66 woonde de familie Krul en helemaal boven de heer en mevrouw Kliks. Meneer Kliks had last van een onhebbelijk dissonant kuchje waar mijn vader, die zeer muzikaal was, slecht tegen kon. Ik denk dat hij daarom altijd extra lang trompet studeerde en Duinoord kon daarvan meegenieten. Om een centje bij te verdienen speelde hij namelijk in de Hofstad Band en kwam, zeker in het weekend laat thuis. In het halletje beneden hing een uit/thuis schuifbordje met de namen van de bewoners waarmee je aan kon geven of je thuis was.
Dat was natuurlijk handig voor de familie Krul als er voor een andere bewoners gebeld werd.

Mijn vader hakte eens in de week houtjes aan de overkant, bij de school en de kolenboer kwam regelmatig langs om een paar mud antraciet in het kolenhok in de gangkast te smijten. Daarna konden we allemaal in de (gegalvaniseerde) teil om het kolenstof weer af te spoelen, maar dat hadden we er wel voor over.
Mijn moeder betaalde de bakker met blauwe voedselbonnen.

Als je in de achterkamer uit ’t raam keek stond daar een in mijn ogen enorme kastanjeboom. Die zou er nog steeds moeten staan.
Rechts naast ons zat de firma Mudde; die deed niet in kolen, maar in koffers. In de winter van ’47 lag de Galvanistraat onder een dik pak sneeuw. Op de een of andere manier beschikten wij over een half sleetje waarmee we de straat verkenden..
In de zomer reed ik met mijn trapwagen over de blauwgrijze stoeptegels met zoutedrop motief.
Die stoepen zijn daar inmiddels ten prooi gevallen aan onze nationale egotrip de auto, die je toentertijd nauwelijks in de straten zag. De straat behoorde echt aan de voetganger en spelende kinderen!
Voordat wij naar bed gingen trokken mijn zus en ik traditiegetrouw gekke bekken naar overbuurvrouw Bakker, die ons tot onze kinderlijke verbazing op nog gekkere grimassen trakteerde.
Tegen de schemering verscheen iedere avond een man op de fiets in de straat met aan z’n schouder een houten
ladder. Bij iedere lantarenpaal stopte hij, zette hij zijn ladder ertegen aan, stak ergens boven een slingertje in en draaide een paar keer rond en zie er was licht en dus ook elektriciteit.

Stroom uit een potje
Dat wist Galvani ook, want hij hield zich in de 18e eeuw al bezig met elektrische verschijnselen. Luigi Galvani werd in 1737 in Bologna geboren. Hij werd arts, natuuronderzoeker en tenslotte hoogleraar in de anatomie en gynaecologie aan de universiteit van zijn geboorteplaats. Als natuuronderzoeker prepareerde hij kikkerpoten en kreeg te maken met het serendipity verschijnsel: Bij toeval vond hij iets waar hij niet naar op zoek was, gewoon omdat hij dat (nog ) niet wist. Serendipity komt (gelukkig) vaker voor in de wetenschap, denk maar eens aan de ontdekking van penicilline en de verbazing van Fleming, toen hij erachter kwam wat hij toevallig gevonden had. Misschien heb je zelf wel eens zo’n ervaring gehad.
Galvani zag dat de (vochtige) kikkerpoot bewoog wanneer hij die aanraakte met twee verschillende soorten metaal en dacht aanvankelijk dat hij daarmee dierlijke elektriciteit had gevonden. Zoals dat vaker gaat bouwde landgenoot Volta voort op Galvani’s onderzoek en vond het juiste antwoord.
Wat was er precies aan de hand?
De elektriciteit zat niet in de spier, maar het spannings (potentiaal)verschil tussen beide verschillende metalen waarbij het vocht als elektrolyt fungeerde. Dit genereerde een elektrisch stroompje dat de spier deed samentrekken. Volta zag dit in en construeerde in 1800 het eerste Galvanisch element, oftewel de batterij. Deze ontdekking had natuurlijk een enorme invloed op latere ontwikkelingen. Voor het eerst was men in staat om langs chemische weg elektriciteit te maken.

Zonder Galvani en Volta zou onze tijd er anders uitgezien hebben. Bijvoorbeeld, de accu is een (samengesteld) Galvanisch element: verschillenden metalen in een zuuroplossing (elektrolyt) genereren een elektrische stroom, die in auto’s gebruikt wordt om de startmotor aan te drijven. Omgekeerd leveren verschillende metalen met elkaar verbonden in de scheepvaart ook problemen op Wat dacht je van een bronzen schroef op een roestvrijstalen as in zeewater? Door het potentiaalverschil tussen schroef en as ontstaat via het zeewater als elektrolyt een elektrische stroom, die in dit geval de roestvrijstalen as “opvreet”.
Daarom worden dit soort combinaties op schepen beschermd door zink- of magnesiumanodes, die zichzelf als het ware opofferen. Die anodes moeten dan ook regelmatig vernieuwd worden. In de metaalkunde geldt dan ook een metaalhiërarchie: bovenaan de edele metalen, zoals goud, platina en zilver; zink en ijzer staan laag.
Hoe onedeler het metaal, hoe reactiever en hoe eerder het corrodeert.

Een moderne vorm van een Galvanisch element is de brandstofcel, waarmee al volop in elektrische auto’s geëxperimenteerd wordt In zo’n cel worden waterstof en zuurstof langs elektrodes geleid waardoor elektriciteit ontstaat met water (stoom) als bijproduct. In tegenstelling tot een accu levert de brandstofcel continu elektriciteit, zolang de ingrediënten worden toegevoegd.
Galvani beschreef zijn bevindingen in zijn werk: De viribus electricitatis in motu musculari commentarius (1791). Hij moet in een adem genoemd worden met Allesandro Volta; niet voor niets liggen de straten in Duinoord vlak bij elkaar.

Galvani stierf in 1798 in Bologna, en ik verhuisde in 1950 naar een leuke straat in de bloemenbuurt, om in 1975 weer in Duinoord terug te keren.

Foto's uit het Gemeentearchief

Groot Hertoginnelaan


Grotere kaart weergeven

Ga eens bij het inmiddels gesloopte Métropole staan en laat je blik langs de bomenrij springen tot Couperus en de flauwe bocht over de Emmakade. De zon werpt een lengende schaduw schuin over de weg en de warmte laat lijnen trillen. De zijstraten maken nieuwsgierig, nodigen uit tot verder ontdekken.
Op de brug over de Suezkade heb je mooie groene doorkijkjes en kan je bijna de zee ruiken.
Maar twee keer per dag perst de getijstroom van het verkeer zich tussen de Jugendstil huizen door en verandert de “Groot Hertogin” in een kolkende heksenketel van racende voertuigen en kwalijke dampen…………

Prinses en Groothertogin
(“So klug wie gültig, so recht wie mild”)
De Groot Hertoginnelaan (eigenlijk Groothertoginnelaan) dateert uit 1893 en is genoemd naar de enige, enigszins verwende dochter van koning Willem II en Anna Pawlowna.
Prinses Wilhelmina Maria Sophia Louisa. Op 8 april 1824 werd zij in den Haag werd geboren. Haar eerste levensjaren bracht zij ’s winters door in den Haag. In de zomer verhuisde het gezin naar verluidt “een kleine boerderij in Soestdijk” waar Sophie op klompen rondliep en leerde melken en kaas maken. Het verblijf in Soestdijk ontwikkelde Sophies’ spirituele aanleg en de liefde voor de natuur en literatuur.
In 1834 ging zij op bezoek bij haar tante en oom in Weimar, de Groothertogin Maria Pawlowna en Groothertog Carl Friedrich von Sachsen-Weimar. Een ontmoeting met zoonlief en volle neef, Groothertog Karel Alexander August Johan liet haar niet onberoerd. Dat was ook de bedoeling want om het bezit veilig te stellen moest er natuurlijk binnen eigen kring getrouwd worden. Daarbij werd op een verwantschapsgraadje meer of minder niet gekeken.

Op 8 oktober 1842 trad zij in den Haag met deze Karel von Sachsen-Weimar und Eisenach in het huwelijk, waarna zij in Weimar ging wonen. Voor haar verblijf in den Haag kocht Pa Willem II het in Louis XIV-stijl gebouwde pand aan het Lange Voorhout nummer 13, oftewel “Het Paleis van Saksen-Weimar”. Loop er ‘ns langs, het is nog steeds het aanzien waard.

Beschermvrouwe van de Literatuur
Prinses Sophie las graag gedichten in de natuur. Bijvoorbeeld op haar “buiten” Zorgvliet, dat 200 jaar eerder door Jacob Cats aan de duinen werd ontrukt. Zij nam zanglessen, waarbij zij door Franz Liszt himself werd begeleid. Franz had nog wel een plekje over voor wat oude adel in zijn leerlingenbestand.
De geschiedenis vermeldt niet wat de meester ervan vond. Overigens hebben zich meer Oranjeprinsessen aan de zangkunst gewaagd en een ander sprak indringend met bomen, maar dat is een ander verhaal.
Sophie maakte reizen door Italie, Engeland en Rusland. Haar belangstelling voor de literatuur werd hierdoor gestimuleerd. In 1853 overleed schoonvader Groothertog Carl Friedrich, de winkel aan zoon Karel overlatend. Hierdoor kreeg Sophie eindelijk de kans haar Groothertoginstatus waar te maken.

Door haar toedoen werden een aantal instellingen voor het algemene nut opgericht. De historie vermeldt voorts dat zij zich als feministe avant la lettre druk maakte over “vrouwenzaken”, al moet dat in die tijd een beginnetje zijn geweest. Haar liefde voor de letteren dreef haar echter in de richting van “hogere zaken”.
Zij werd beschermvrouwe van de op 23 april 1864 opgerichte Shakespeare-Gesellschaft (een soort Literaire Sociëteit “de Witte”)

Goethe en Schiller

Toen Goethe’s achterneef Walter in 1885 overleed liet hij Sophie bij testament
de complete manuscripten van zijn beroemde oom na.
Zij beloofde dat “heel Duitsland met haar zou erven” In Goethe’s nalatenschap trof Sophie twee banden erotica en priapeia (zeg maar “hinderlijk opstandige jongens”) aan, die zij vanwege het toen vigerende puritanisme onmiddellijk eruit verwijderde en in een geheim archief op liet slaan. Het kon natuurlijk niet zo zijn dat Goethe als verheven, bijna onaards Duits symbool ook geïnteresseerd was in scabreuze teksten en tekeningen. Maar gelukkig bleek Goethe een menselijk wezen.
Aansluitend begon zij met de wetenschappelijke uitgave van Goethe’s werk, die bekend staat als de Weimar- of Sophien-Ausgabe. De totale editie omvatte 143 banden en werd in 1919 voltooid. Het is tot op heden de meest volledige uitgave van Goethe’s werk.
In 1896 werd niet alleen de nalatenschap van Goethe, maar ook die van concurrent Schiller en anderen ondergebracht in het door haar gebouwde Goethe und Schiller Archiv, dat nog steeds te bezoeken is. Rest natuurlijk de vraag wat er met Goethe’s erotica in het geheime archief is gebeurd. Had Sophie een sleutel en ging ze wel ‘ns stiekem kijken? (gebeurt vaker bij hoeders van de zedelijkheid) Mogelijk is het later tijdens een meer libertijnse tijdgeest alsnog “bijgezet”.
Groothertogin Sophie overleed op 23 maart 1897 te Weimar; zij werd 73 jaar.

In augustus waren de manuscripten weer nieuws toen zowel de familie von Sachsen-Weimar und Eisenach als de Stichting Weimarer Klassik und Kunstsammlungen meenden dat zij het eigendomsrecht op de manuscripten hadden. Na een rechtszaak zag de familie von Sachsen voor 15,5 miljoen van verdere claims af.

De Groothertogin en het Verversingskanaal

Eind 2002 was Sophie’s geest weer even in Den Haag terug om haar “Je maintiendrai” gestand te doen. Wat was er aan de hand? Sophie bezat in den Haag-west in aardig lapje grond (o.a. Zorgvliet en omgeving), zo’n 600 ha, dat zij van vader Willem II had geerfd. In 1884 plande de gemeente den Haag een afvoerkanaal dat de stad van het ziekmakende rioolwater in de grachten moest verlossen. Dat kanaal zou dwars door Sophie’s achtertuin naar zee lopen

De gemeente kon Sophie bewegen de benodigde grond kado te doen en dat gebeurde met een Akte van Schenking in 1885. Daarin werd o.a. opgenomen dat er niet op de grond gebouwd mocht worden zonder haar toestemming.
Het kanaal kwam er, het Haagse water werd schoner (en gedempter) en de akte verdween in een archief. De tijd knaagt echter aan alles, zo ook aan oude afspraken. In 1984 kon Sophie’s servituut nog als geheim wapen worden ingezet tegen het voorgenomen bebouwing van de kanaaltaluds. Een krankzinnig idee overigens!
In 2002 probeerde de Politieke Partij Scheveningen hetzelfde trucje uit te halen om de herinrichting van de Duindorpbrug te verhinderen.
Er werd zelfs contact opgenomen met nazaat Prins Michael von Sachsen-Weimar und Eisenach, maar die reageerde als een tijdreiziger in de verkeerde tijd. “Oud geld” is per definitie conservatief en is geen partij voor veranderende omstandigheden en economische wetten. Die rechte brug of dam komt er en daarmee zal de gestage opleggerkaravaan van de Norfolkline dwars door Scheveningen toenemen, servituut of niet. Sophie zou daar niet blij mee zijn geweest.

Foto's uit het Gemeentearchief

Hollanderstraat


Grotere kaart weergeven

De Hollanderstraat loopt van de Koningin Emmakade naar de 2e Sweelinckstraat en werd omstreeks 1895 aangelegd. Er werden nogal wat opslag- en stallingruimtes (koetsen?) in de straat gebouwd, waar zich in de loop der tijd vele bedrijfjes vestigden. De Hollanderstraat heeft dan ook een opvallend hoog bedrijvengehalte. De straat is genoemd naar de componist Christiaan Janszoon de Hollander, die in 1520 te Dordrecht geboren werd. (De naam is de Hollander; in de straatnaam is ‘’de’’ verdwenen) In hetzelfde jaar werd de Duitse monnik Martin Luther vanwege zijn anti-Roomse denkbeelden door de paus in de ban gedaan. De Rooms-katholieke kerk reageerde snel met de dogmatiek van het Concilie van Trente in 1545, maar dat kon de opmars van het Protestantisme niet verhinderen.

Renaissance

Natuurlijk had Christiaan de Hollander dit toen niet in de gaten, want hij kwam ter wereld in een tijd waarin de Renaissance op het punt stond los te barsten.
Het moet een prachtige tijd geweest zijn met kritische geesten als Erasmus en Montaigne. Men nam afscheid van de donkere middeleeuwen; er kwamen talloze nieuwe inzichten (Descartes) en ontdekkingen (Copernicus) en toen de Grote Wedergeboorte voorbij was stond er een totaal ander mensbeeld: de mens had zichzelf hervonden als een zelfstandig handelend, denkend en voelend individu. Je zou haast zeggen: waar heb ik dat meer gehoord.
Zonder die middeleeuwen kon de Renaissance echter nooit plaatsgevonden hebben! Aan de werken van de laatmiddeleeuwse dichters Dante, Boccaccio en Petrarca kon je al zien dat er iets begon te broeien Christiaan de Hollander werd componist/zanger en waarschijnlijk werd hij beïnvloed door collega Jacob Obrecht, die in 1505 overleed.
Zeker is dat Christiaan bestoven werd door de contrapuntstijl van de toenmalige Zuid-Nederlandse componist Joost van der Weiden, beter bekend onder zijn artiestennaam Josquin des Prez of op z’n Latijns Jodocus Pratensis. (1450-521)

Noot tegen noot

Josquin, die op zijn beurt de traditie van Johannes van Ockeghem volgde, kan met recht één van de groten uit de contrapuntistische periode genoemd worden. Contrapunt is een bepaalde muziekstijl die eigenlijk betekent punctus contra punctum (noot tegen noot) Contrapunt is de kunst van het veelstemmig (polyfoon) componeren, waarbij meerdere gelijkwaardige melodieën (stemmen, partijen) volgens bepaalde regels met elkaar worden gecombineerd. De canon en de fuga zijn enige belangrijke vormen van het contrapunt, die o.a. door Bach indrukwekkend zijn vertolkt.
Luister maar ‘ns naar “Die Kunst der Fuge” en “Das Wohltemperierte Klavier” Eigenlijk vlecht de contrapuntist een kunstig weefsel van melodieën. Christiaan de Hollander componeerde zijn werk in deze contrapuntstijl: een mis, een aantal motetten en Duitse liederen. Hij is als componist minder bekend, maar desondanks mag hij beschouwd worden als een grote Nederlandse contrapuntist. Daarom heeft hij toch een plek gekregen in Duinoord. De Roomse Bobo’s van het Trents Concilie en de kerkvaders hadden weinig op met het meerstemmige contrapunt van “hun”religieuze muziek. Zij vreesden niet alleen een profane invloed, maar ook dat de teksten teloor zouden gaan in de meerstemmigheid.

Christiaans tijdgenoot, de Italiaan Palestrina werd “wereldberoemd” in Europa als contrapuntcomponist. Hij was ook degene die het gekissebis met het Vaticaan over deze muziek op wist te lossen door het contrapunt tot liturgische zuiverheid te brengen.
De contrapuntstijl werkte door tot in de 16e en begin 17e eeuw; het Baroktijdperk van Bach en Händel. Christiaan Janszoon de Hollander stierf omstreeks 1570.

In het vorige nummer van het Lopend Vuurtje heeft u kunnen lezen dat de werkgroep Hollanderstraat van het Bewonersoverleg Duinoord zichzelf heeft opgeheven. In zijn pogen de leefbaarheid van de straat te vergroten, botste de werkgroep voortdurend op de onwil van de Gemeente om bepaalde regels (o.a de Algemene Politieverordening) te handhaven en zo de overlast van sommige bedrijven terug te dringen. Daarmee heeft de Gemeente impliciet de prioriteit gegeven aan de ontwikkeling van bedrijven in de woonstraat.
Typisch een geval van meerstemmig contrapunt, lijkt me. En dat geeft te denken.

Foto's uit het Gemeentearchief

Laan van Meerdervoort


Grotere kaart weergeven

In 1769 kreeg de toenmalig bewoner van de buitenplaats Meerdervoort het recht van overpad van zijn hoeve naar de Veenlaan, dat toen in ’t Kleine Veentje gelegen was. Dit pad stond in de 19e eeuw bekend als het Dekkerslaantje of de Meerdervoortschelaan en werd het prille begin van wat later “de Lange Laan” zou worden.

De hoeve Meerdervoort stond ongeveer op de plaats waar nu de flat Oldenhove aan de Laan van Meerdervoort 52 nog steeds te bewonderen is. In 1801 werd de buitenplaats – wat klinkt dat lekker landelijk – gekocht door Jacobus den Dekker, die daar een diligencedienst naar Amsterdam uitbaatte. De gronden rondom het buiten waren toen bekend als de Dekkersduinen. Vanaf 1875 liep de Laan mee met de stadsuitbreiding in zuidwestelijke richting. Toen hij rond 1960 bij de Kijkduinsestraat zijn eindpunt had bereikt was het de langste Laan van Nederland geworden. Wandelen over de lange Laan is heden ten dage dan ook een reis door de tijd vanwege de verschillende bouwstijlen die in de opvolgende bouwfasen gebruikt zijn.

Reis door de tijd

Langs deze mooie Haagse laan is heel duidelijk de ontwikkeling van de bouwstijlen te zien. Aan het begin van de laan (Zeehelden- en Duinoord) vinden we de uitbundige Neo- en Eclectistische stijlen van omstreeks 1880 die mooi aansluiten op de architectuur van het Willemspark. Beroemd is Gymnasium Haganum, één van de mooiste Neo-Renaissance panden van de stad. Beroemd is ook het statige Mesdag Museum, dat aan het begin van de Laan van Meerdervoort ligt. Het Panorama Mesdag ligt er vlakbij (Zeestraat).
Aan het begin van de 20e eeuw begon men voorbij het Verversingskanaal te bouwen. Vanaf dat kanaal vinden we vooral Jugendstil panden. Toen de bouwers rond 1914 de Fahrenheitstraat bereikten brak de eerste Wereldoorlog uit en was het voorbij met het bouwen van fraaie panden. Nederland was dan zelf nog wel neutraal, de oorlog bracht wel een eind aan een periode van grote welvaart.
Het was een sobere tijd en dat is te zien aan de gebouwen die na 1914 in de stad werden neergezet. De tijd van ornamenten en ècht bijzondere architectuurstromingen was voorbij. Bij de Laan van Eijk en Duinen / Azaleaplein ligt een bijzonder wijkje waar de Laan van Meerdervoort vlak voor de tweede Wereldoorlog ophield. Het lijkt een dorpje in de stad. Langs de laatste kilometers van de laan ziet men de gebouwen van de jaren '50 en '60 van de 20e eeuw. De Laan eindigt bij Ockenburg en Meer en Bos (Kijkduin).
Er zijn al voor de tweede Wereldoorlog plannen gemaakt om de Laan nog verder door te trekken en voorbij de Kijkduinsestraat een grote woonwijk in de duinen aan te leggen. Dat plan is ten gevolge van de Duitse inval nooit ten uitvoer gebracht.

Strijd om het vliegveld Ockenburg

In de morgen van 10 Mei 1940 vond aan het einde van de Laan van Meerdervoort een korte maar hevige strijd plaats om het vliegveld Ockenburg. Daarbij wist een compagnie van het 3-1 Regiment Grenadiers een groep Duitse parachutisten te verdrijven en het vliegveld (tijdelijk) te heroveren.
De Grenadiers hadden zich verschanst in “Meer en Bosch” en de Duitsers zaten aan de overkant van de Kijkduinsestraat. Tot verbazing van de soldaten kwam plotseling een brandweerauto die op weg was naar de rookwolken op Ockenburg, luid bellend vanuit Kijkduin aanrijden en werd door de Duitsers onder vuur genomen. De verschrikte brandweerlieden lieten hun blusvoertuig op de Kijkduinsestraat achter en sommige brandweerlieden zochten dekking in het vlakbijstaande koffiehuisje. Bij de actie sneuvelden 8 Grenadiers die op de Algemene Begraafplaats aan de Kerkhoflaan zijn begraven.

Foto's uit het Gemeentearchief

Lübeckstraat


Grotere kaart weergeven

De Lübeckstraat loopt van de Stadhouderslaan naar het Verhulstplein en werd omstreeks 1901 in Duinoord aangelegd. In 1942 viel de Lübeckstraat samen met vele andere Haagse straten ten prooi aan de Atlantikwall. De straat werd in de jaren na de oorlog weer snel opgebouwd.

Johann Heinrich Lübeck

Wie kent de Haagse musicus Johann Heinrich Lübeck nog? Johann leefde van 1799 tot 1865. In 1827 richtte hij niet alleen de Koninklijke Muziekschool in Den Haag op maar was daarvan ook directeur tot zijn overlijden. Hij werd opgevolgd door straatnaamgenoot Willem Nicolaï.
Evenals collega Richard Hol (zie elders dit nummer) dirigeerde Lübeck een groot aantal zg. Diligentiaconcerten. In 1929 werd hij benoemd tot hofkapelmeester. Lübeck speelde zelf ook een knap partijtje viool. Hij gaf als directeur ook les en genoot bekendheid als muziek pedagoog.
Twee jaar voor zijn dood, in 1863, schreef hij een feestcantate ter gelegenheid van het leggen van de eerste steen van het Nationale Monument op het Plein 1813 in Den Haag, u weet wel van dat driemanschap.

De muziek in Lübecks tijd

Toen Johann Lübeck geboren liep het Classicisme in de muziek op zijn einde en begon de Romantiek door te breken. Deze muziekstijl kenmerkte zich door een hang naar het irrationele en de vlucht in de fantasie en het verleden. Een van de bekendste componisten en klaviervirtuoos uit die tijd was natuurlijk Frederic Chopin (1810-1849).
We genieten nog steeds van zijn doorvoelde pianomuziek. Chopin, die in Polen geboren werd, vond in Frankrijk zijn tweede vaderland. Hij leefde als een echte romanticus, kort en hevig. Chopin werd begraven op het bekende kerkhof Père Lachaise in Parijs, waar zijn graf nog dagelijks door vele Chopin-liefhebbers bezocht wordt.

Foto's uit het Gemeentearchief

Nicolaistraat


Grotere kaart weergeven

De Nicolaistraat, die naar de componist Willem Frederik Gerard Nicolai is genoemd, loopt van de Tweede Sweelinckstraat naar de Stadhouderslaan en werd in 1901 aangelegd.

Willem Nicolai werd geboren in 1829. Hij studeerde aan het conservatorium van Leipzig en kon ook als organist aardig meekomen.
In 1865 werd hij directeur van de toenmalige “Koninklijke Muzykschool” en bleef dat tot zijn dood in 1896.
Willem Nicolai was redacteur van het muziektijdschrift “Caecilia”; hij componeerde opera’s, koorwerken, liederen en een oratorium (Bonifacius) Nicolai was een enthousiaste muziekschooldirecteur. Hij hield van de muziek van tijdgenoten Wagner en Liszt. Hij schreef gemakkelijk verteerbare muziek, die wel te vergelijken is met de composities van Mendelssohn en Schumann.

Het Haagse muziekleven in de 19e eeuw

Historisch gezien heeft de hofmuziek in den Haag altijd een grote rol gespeeld en dat is natuurlijk niet vreemd. Tegen het einde van de 17e eeuw beschikten de Oranjes al over een hofkapel voor het intieme werk en een hoforkest voor de officiëlere uitjes. Lodewijk Napoleon had ook wel behoefte aan een eigen stand-by staand strijkje en richtte in 1806 het ensemble Musique de Chambre du Roi (hofkapel) op, naast de reeds bestaande Chapelle du Roi (hoforkest). Deze werden opgeheven bij de teloorgang van Lodewijk Napoleon, u kent ’t verhaal ongetwijfeld. Later werd de hofkapel toch weer in ere hersteld, mede door toedoen van baron van Kattendijke.

In 1826 richtte koning Willem I Koninklijke Muziekschool op met Johann Lübeck als eerste directeur.
Dit instituut zou later bekend staan als “Koninklijk Conservatorium “ Leraren en leerlingen van de muziekschool werden in de Hofkapel ingezet.
In 1852 werden de musici van de hofkapel, die ook hand en spandiensten aan de Franse Opera in den Haag verleenden, ontslagen omdat koning Willem I het niet meer kon betalen.
Willem Nicolai volgde in 1865 Johann Lübeck als muziekschooldirecteur op. Hij werd net als Lübeck bekend als dirigent van de Diligentia concerten, die van 1824 tot 1945 in de Oude Doelen in den Haag gehouden werden. Andere bekende Duinoord Diligentia-dirigenten waren Richard Hol, wiens beeld op de Groot Hertoginnelaan staat en Johannes Verhulst (van het plein).
Amsterdam stal de show met zijn Concertgebouworkest en dus besloten Henri Viotta, die Nicolai als directeur opvolgde, en baron van Zuylen in 1903 een eigen Haags orkest op te richten, het Residentie Orkest. En daar kunt u nog steeds van genieten.

Foto's uit het Gemeentearchief

Obrechtstraat


Grotere kaart weergeven


De Obrechtstraat loopt van de Conradkade tot de Tasmanstraat en werd omstreeks 1893 aangelegd. Bij de Conradkade loopt de straat dood, maar je kan via een klein voetgangerstrapje toch op de Conradkade komen. Voor de opmerkzame wandelaar lijkt het alsof dit gedeelte van Duinoord hardhandig gecoupeerd is en dat klopt aardig. Vóór 1944 liep de Obrechtstraat door tot de Cornelis de Wittlaan, die zijn naam in de zestiger jaren moest afstaan aan president Kennedy.
In 1944 viel de Obrechtstraat met vele andere Haagse straten ten prooi aan de Antlantikwall, de Duitse verdedigingslinie tegen een aanval uit zee. Die aanval kwam er ook, alleen op een ander plekje. Het gesloopte gebied is na de oorlog in een andere stijl weer opgebouwd.

Jacob Obrecht werd zeer waarschijnlijk in 1450 te Bergen op Zoom geboren. Andere bronnen geven Gent of Utrecht als geboorteplaats. Obrecht is bekend geworden als componist van de Vlaamse/Zuid-Nederlandse polyfonische school. In deze muziekstijl worden verschillende onafhankelijke melodische lijnen met elkaar tot een geheel verwe-ven. De ontwikkeling van de polyfonie begon als variatie op de Gregoriaanse melodie. Typisch kenmerk van deze Vlaamse of Zuid-Nederlandse stijl is dat alle stemmen in principe gelijkwaardig zijn en dat de hoofdmelodie niet ondersteund wordt door andere stemmen. Dit betekent dat er dan eigenlijk geen hoofdmelodie meer is. De Vlaamse/Zuid-Nederlandse polyfonisten, zoals Obrechts’ beroemde tijdgenoten Johannes van Ockegem en Josquin des Prez waren meesters van deze meerstemmige muziek. Na het begin van de 16e eeuw verbleekt de invloed van de Vlaamse Polyfonisten om plaats te maken voor de Italiaanse vroege Barok (Monteverdi).

Afscheid van de Middeleeuwen

Rond het einde van de 14e eeuw begon de Renaissance voorzichtig door te breken. Men nam afscheid van de “Donkere Middeleeuwen” en er brak een nieuw tijdperk van grote creativiteit aan. Niets bleef onberoerd, nieuwe ontdekkingen (Columbus); in de wetenschap, inzichten in de filosofie, de kunst, de literatuur, de muziek, in alles werd de “Wedergeboorte” zichtbaar. Natuurlijk ging dat niet zonder slag of stoot. Traditiegetrouw verzette “Rome” zich tegen deze “nieuwlichterij”. In de wetenschap moesten Copernicus en later Galileï opboksen tegen het vigerende Ptolemeïsche wereldbeeld en in de muziek kreeg de polyfonische stijl ervan langs omdat de Paus daar in een te grote profane invloed vreesde. Niks nieuws onder de zon, want dat gebeurt nog steeds.
Alleen was de macht van de kerk in die tijd veel groter dan nu. Zo’n 300 jaar later, tijdens de “Verlichting” in de 18e eeuw werd de macht van de kerk nog verder uitgehold en dat proces gaat nog steeds door. Obrecht was ook – al was hij zich dat toen niet bewust – mede animator van de Renaissance.

Omstreeks 1476 was Jacob Obrecht werkzaam in Utrecht als zangmeester, maar Jacob had geen goede zangstem en musici werden in die tijd geacht zowel vocaal als instrumentaal goed mee te kunnen. Het was daarom moeilijk om in buitenlandse muziekkapellen aan de slag te komen.
In 1480 werd hij priester en werkte in verschillende kerken in Vlaanderen. Begin 1500 ging hij reizen door Duitsland en kwam in 1503 in Italië terecht. Hij trad in dienst van de Hertog van Ferrara, maar hij werd besmet met de Pest en hij stierf in 1504 in Ferrara. Obrecht schreef missen, motetten en liederen. Zijn werk staat op een eenzame hoogte want hij was zijn tijd ver vooruit.

Foto's uit het Gemeentearchief

President Kennedylaan


Grotere kaart weergeven

De President Kennedylaan loopt tussen de Conradkade en de Johan de Wittlaan. De naam werd in 1964 gegeven. tot die tijd was de weg de hoofdbaan van het Stadhoudersplantsoen.

John Fitzgerald Kennedy (1917-1963), de 35ste president van de Verenigde Staten van Amerika, onderscheidde zich als marineman tijdens de Tweede Wereldoorlog. Sinds 1952 was hij senator voor Massachusetts, behorend tot de Democratische Partij. In 1961 versloeg hij Richard M. Nixon in de strijd om het presidentschap. Hij was de eerste rooms-katholieke president van de V.S. Tijdens een verkiezingstournee in Dallas, Texas werd hij doodgeschoten.

Foto's uit het Gemeentearchief

Reinkenstraat


Grotere kaart weergeven

Wat is er toch zo aardig aan die Reinkenstraat? Dat ie zo lekker overzichtelijk is. Alles ligt binnen oogopslag, voetstap en handbereik. Je kan bij wijze van spreken bij de bakker in de rij even een roepje doen naar de overkant voor een pond gehakt bij van der Broek.

Hier kom je als je als dorpeling begroet wil worden en krijg je als klant nog tijd voor een praatje. Jammer dat er geen barbershop is waar ingezeepte mannen met walrussnorren close harmony staan te zingen.
De Reinkenstraat is intiemer dan de Valeriusstraat, maar mist de vergeelde noblesse van de “Fred”. Daarom zie je in de Reinkenstraat meer wijkbewoners een praatje maken want de mensen kennen elkaar. Op de “Fred” heb je veel buitenlui en klinkt soms de holle galm van Jan des Bouvrie discipelen.

Stoom boven Duinoord

Je gelooft ’t niet, maar omstreeks 1910 reed een stoomtram dwars door de Reinkenstraat en niet per ongeluk. Op de plaats waar nu de Cornerhouseflat staat, bevond zich een rangeerterrein compleet met station, vrachtkantoor en seinhuis.
De stoomtram reed vanaf het station Anna Paulownastraat achter de huizen van de Sweelinckstraat, passeerde de Tasmanstraat, tufte verder achter de huizen van de Obrechtstraat. Dan nam hij de spoorbrug over de afzanderijvaart van de WP en KE kades. Vervolgens stoomde hij achter de 2e Obrechtstraat richting Reinkenstraat, waar hij aansluiting had op de lijn Scheveningen-Hollands Spoor. Je kon toen bij wijze van spreken heel Europa vanuit Duinoord “betreinen”, als een ware HSL avant la lettre.

In de Reinkenstraat liep het spoor tussen de nummers 9 en 47; een spoor van het “stoomgat” is nu nog steeds naast Gall & Gall te aanschouwen. Op oude foto’s zie je grote witte stoomwolken tussen de huizen opstijgen. Het was een kwestie van ramen dicht en even adem inhouden als de tram passeerde en vooral de was binnenhalen.

Haagse Achterhuis op nummer 19

In 1943 hadden 24 joodse onderduikers hun toevlucht gezocht op nummer 19. Hoofdbewoonster Sara Walbeehm weigerde niemand de deur. Waarschijnlijk getipt, deed de SD daar in de nacht van 22 maart een inval en voerde allen naar het concentratiekamp Sobibor. Ter herinnering aan deze gebeurtenis werd op 22 maart 2002 - dank zij de inspanningen van ex Reinkenstraat winkelier Herman Nijboer - een plaquette boven de deur van nummer 19 geplaatst. Inmiddels is de jaarlijkse herdenking op 22 maart traditie geworden. [Meer over Het Haagse achterhuis en Sara Walbeehm]

In 1977 ging het restaurant l’Esperance tegenover het Cornerhouse tegen de vlakte, na een periode van leegstand en verloedering. Het restaurant bezat een kegelbaan, die tot “Sunny Court” doorliep en was bekend om z’n twee markante ‘mutsen’ op het dak.
De Reinkenstraat werd omstreeks 1895 aangelegd als zijstraat van de Laan van Meerdervoort en loopt uit op het Sweelinckplein. De straat werd genoemd naar de musicus en componist Johann Adam Reinken (Reincken 1623-1722).

Johann Reinken en de orgel-emancipatie

Johann Reinken werd organist en dat was in die tijd zo vreemd nog niet.
Voor Reinkens’ tijd werd het orgel alleen tijdens circussen, feesten en andere wereldlijke evenementen gebruikt. Vanaf ongeveer de 12e eeuw zag je het orgel steeds meer in de kerken verschijnen omdat de geestelijkheid merkte dat je met een orgel de kerkgezangen goed kon begeleiden. Naarmate de orgeltechniek steeds meer mogelijk maakte, bevrijdde het orgel zich langzaam uit z’n ondersteunende rol. Je zou kunnen zeggen: het orgel emancipeerde zich, ging voor zichzelf beginnen en werd solo-instrument. Maar daarvoor was visie en muziek nodig. Vanaf de 15e eeuw ontstonden in de Nederlanden, Spanje en Engeland bepaalde orgelscholen, of stijlen met hun eigen specialiteiten zoals de toccata, de canzona en de ricerare.

Noord-Duitse orgelschool

Deze school ontwikkelde zich In de 17e eeuw in de Nederlanden en Duitsland. De school was gebaseerd op het pedagogische werk van Jan Pieterszoon Sweelinck. Reinken kwam daarmee in aanraking nadat hij in 1637 naar Deventer was verhuisd. De Hamburgse organist Heinrich Scheidemann was ook een leerling van Sweelinck en hij voerde de Sweelinckstijl naar Duitsland. In 1654 ging Johann Reinken bij Scheidemann in Hamburg studeren en wist de Noord-Duitse stijl samen met andere leerlingen te vervolmaken.
Maar er diende zich iemand aan die deze orgelstijl (en andere muziekstijlen) moeiteloos in de schaduw van zijn muzikaal genie zou zetten: Johann Sebastian Bach. (1685-1750)

Reinken en Bach

Deze componist van de Barok overklaste zijn al zijn tijdgenoten, behalve Händel en Scarlatti. Bach “verkeerde muzikaal met de Goden”, alleen had hij dat zelf niet in de gaten. Tijdgenoot en “mindere” collega-componist Buxtehude echter wel. (Vergelijk Mozart en Salieri) Naast het componeren had Bach kennelijk ook tijd voor andere zaken, want hij had twintig kinderen uit twee huwelijken. Bach componeerde zijn polyfonische muziek met wiskundige precisie.
Toch genoot Reinken in een bepaalde periode meer faam dan Bach, die onterecht tegen hem opkeek. Hij bezocht Reinken een paar keer, luisterde naar zijn orgelspel en verwerkte Reinkens muziek in zijn eigen composities.
Na zijn studie werd Johann Reinken in 1657 organist van de Bergkerk te Deventer. Een jaar later verhuisde hij weer naar Hamburg waar hij samen met zijn oude leraar Scheidemann organist werd aan de Sankt Katharinen Kirche.
In 1678 was hij medeoprichter van de Hamburgse opera. Reinken schreef onder andere Hortus musicus. Hij overleed in 1722.
Beroemde tijdgenoten van Reinken waren René Descartes, methodisch twijfelaar en grondlegger van de moderne filosofie, de astronoom Galileï, die de zon in het middelpunt plaatste, Newton met zijn nieuwe kijk op de zwaartekracht en de filosofen Leibniz en Spinoza.

Foto's uit het Gemeentearchief

Schuytstraat


Grotere kaart weergeven

De Schuytstraat, het broertje van de Obrechtstraat, werd omstreeks 1893 aangelegd. De straat bestaat uit 2 delen en loopt van de 1 ste Sweelinckstraat naar het Verhulstplein. Het laatste stukje van de “Schuyt”, de tweede, moest in 1943 wijken voor de aanleg van de Atlantikwall, de Duitse verdediging tegen een aanval uit zee. Net als de Obrechtstraat stuit deze straat dan ook op abrupte naoorlogse nieuwbouw. Cornelis Floriszoon Schuyt werd in 1557 in Leiden geboren. Zijn vader, Floris Corneliszoon Schuyt was organist, vond dat zoon Cornelis dat ook maar moest worden en begon de kleine al vroeg in de muziek wegwijs te maken. Later maakte Cornelis tijdens een reis naar Italië kennis met de invloed van de vroege Renaissance.

Mede hierdoor ontwikkelde Cornelis zich tot Nederlands belangrijkste madrigaalcomponisten. Madrigalen zijn wereldlijke liederen waarin tekst en muziek innig met elkaar verbonden zijn. De tekst gaat doorgaans over zoete, melancholieke minnepoëzie. Bepaalde gevoelsmomenten van het verhaal, zoals smart, verliefdheid etc. zijn op kunstige wijze in klanken gevat, zodanig dat zij die emoties ook bij de toehoorders te weeg brengen. Daarom wisselen de ritmen en vallen er stiltes in de melodie. De madrigaalkunst bereikte vanaf 1580 zijn hoogtepunt in Italië, onder andere door de composities van Claudio Monteverdi. (1553-1599) Terug uit Italië werd Cornelis samen met zijn vader aangesteld als organist in de Pieterskerk en de Hooglandse kerk, met pa als eerste organist.

Gekissebis over het orgel

Het gebruik van het orgel in de kerk was in die tijd nogal eens voorwerp van discussie tussen het burgerlijk en het kerkelijk gezag. Na de beeldenstorm gingen sommige kerken over tot het protestantse geloof en werden eigendom van de burgerlijke overheden. Dat hield in dat deze ook moesten zorgen voor het onderhoud van het orgel en het salaris van de organist.
De gereformeerden zagen het orgel als een verwerpelijk overblijfsel uit de Roomse periode en wensten geen orgelmuziek in hun erediensten. Het burgerlijk bestuur beschouwde het orgel echter als cultuurschat dat aan het volk ten gehore gebracht moest worden. Daarom organiseerden de steden van betekenis regelmatig orgelbespelingen, als een soort lunchconcert. De overheden hoopten hiermee het volk uit de tavernen en herbergen te jagen. Het orgelspel maakte deel uit van een doelgericht beschavingsoffensief door de overheid om de criminaliteit tegen te gaan, ondanks de protesten hiertegen van kerkelijke zijde. Misschien een ideetje voor het ministerie van BZK?
De gereformeerden stortten zich vervolgens in een brede discussie over de voors en tegens van het orgelspel tijdens hun diensten. In 1641 schreef Huygens een boek getiteld: “Gebruyk of ongebruyk van het orgel in de kercken der Vereenighde Nederlanden”.

Het boek kwam anoniem uit want Huygens wilde geen onderdeel worden van de kerkelijke twist. Huygens’ werkgever Frederik Hendrik en vooral zijn vrouw Amalia van Solms stonden achter hem. Huygens stuurde het boek ter beoordeling aan onder andere Descartes, wiens commentaar in de discussie werd meegenomen. Pas een halve eeuw later werd het orgelspel tijdens de (gereformeerde) dienst min of meer geaccepteerd.
Toen Cornelis Schuyt in 1593 als organist in Leiden werd aangesteld stond dan ook in zijn contract dat hij verplicht was om openbare orgelbespelingen te geven.
In 1601 overleed vader Floris waardoor Cornelis opschoof en eerste organist werd aan de Pieterskerk. Hij mocht nog 15 jaar zijn geliefde instrument bespelen tot zijn overlijden in 1616 in zijn geboorteplaats Leiden. Tot zijn werken behoren onder andere: Madrigali,Hollandse madrigalen, Madrigali nuptiali.

Foto's uit het Gemeentearchief

Snelliusstraat


Grotere kaart weergeven

De Snelliusstraat werd omstreeks 1903 aangelegd en loopt van de Groot Hertoginnelaan naar de Archimedesstraat
De Snelliussstraat behoort tot het stukje Duinoord aan gene zijde van ons eigen “Suezkanaal”. Het echte Suezkanaal werd zoals jullie weten omstreeks 1862 gegraven met advies van ingenieur Conrad, naamgever van de overkant, de Conradkade.

Snellius was een wetenschapper, die beroemd is geworden door zijn landmeetkundige en astronomische exercities. Zijn echte naam was Willebrord Snel van Royen; hij werd in 1580 te Leiden geboren.
De naam is “ver-latijnst”, omdat dat in die tijd trendy was en bijdroeg aan je status. Overigens moest je al een zekere status hebben om je naam met het achtervoegsel ”ius” te mogen verlengen. Krap een jaar later werd zijn vader Rudolph op de nog piepjonge Leidse Universiteit als buitengewoon hoogleraar wiskunde aangesteld “tot er een betere gevonden was”. Dat zal vader niet leuk gevonden hebben.
Het gezin verhuisde naar een huis aan de Koepoortsgracht, dat Willebrord in 1613 erfde, toen zijn vader overleed. (Zijn broers Jacob en Hendrik waren al eerder overleden)

Op het dak van het huis aan de Koepoortsgracht, dat nu Douzastraat heet, haalde Willebrord zijn eerste landmeetkundig trucje uit door een punt via achterwaartse insnijding te bepalen.
Op 10 jarige leeftijd (1590) ging Willebrord naar de Leidse universiteit om rechten te doen, maar stapte al snelllius over op de wiskunde. Meten is weten, dacht hij en dat vind je niet in de wetboeken.
Hij werd al vlug bekend en mocht al op 20 jarige leeftijd voordrachten houden over wiskunde en astronomie. Saillant detail daarbij was, dat Snellius, ondanks de aanstormende Copernicus, aanhanger bleef van het Ptolemeïsche wereldbeeld, dat de aarde als middelpunt van het heelal beschouwde.(geocentrisch)
Zoals we weten veegde Copernicus de vloer aan met dit wereldbeeld in zijn boek
“De revolutionibus orbium coelestium” (over de omwentelingen van hemelllichamen).
Copernicus’ stelling was dat niet de aarde, maar de zon in het middelpunt van het heelal was (heliocentrisch). Zoals verwacht kon worden werd hij vervolgens door Rome verketterd en zijn boek in 1616 op de index geplaatst. Het duurde nog tot voorbij Galileï voordat het heliocentrische wereldbeeld langzamerhand geaccepteerd werd.

In 1608 trouwde Snellius met Maria de Lange en zij kregen vele kinderen.
Na het overlijden van zijn vader in 1613 werd Snellius aangesteld als gewoon hoogleraar aan de Leidse universiteit.
Snellius is beroemd geworden door zijn pogingen de wereld (land)meetkundig in kaar te brengen.
Al eerder had men getracht de aarde op te meten, maar al die onderzoeken strandden op het ontbreken van een vaste, gedefinieerde meetlat of parameter, zouden we nu zeggen. Iedereen hanteerde z’n eigen lengtemaat en dan meet je eigenlijk niks.
Snellius zag in dat je eerst je lengtemaat moest vaststellen en die ook moest standaardiseren, wil je kunnen vergelijken met andere onderzoeken.
(Logisch eigenlijk, zou je nu zeggen. In zijn boek ” Eratosthenes Batavus; de Terrae ambitus vera quantitate“, ofwel “de Nederlandse Eratosthenes, over de ware afmetingen van de omtrek van de aarde”, beschrijft Snellius zijn methode.
Hij verwijst daarbij naar Eratosthenes van Cyrene, die zo’n 200 jaar voor Christus al een poging had gedaan de grootte van de aarde te berekenen.
Ook als natuurkundige blies Snellius zijn partij mee, getuige zijn brekingswet van het licht, die hij naar verluidt omstreeks 1626 op het eind van zijn leven, gelijktijdig met de filosoof Descartes ontdekte.
Willebrord Snel van Royen overleed op 30 oktober 1626 op 46 jarige leeftijd aan een slepende ziekte. Hij werd begraven in de Pieterskerk te Leiden.

Foto's uit het Gemeentearchief

Stadhouderslaan en - plantsoen


Grotere kaart weergeven

Stadhouderslaan en -plantsoen

De Stadhouderslaan en het Stadhoudersplantsoen zijn vernoemd naar de stadhouders van Holland. Het voorstel van B. en W. was de Stadhouderslaan "Laan van Friso" te noemen, maar op verzoek van mr. A.E.H. Goekoop werd het voorstel gewijzigd in Stadhouderslaan. Hierbij speelde mee dat de Telegraafdienst die naam als één en niet als drie woorden zou rekenen.
Een verzoek van de A.N.W.B. en de Maatschappij Duinoord uit 1898 om een rijwielpad aan te leggen in het gedeelte dat nu Eisenhowerlaan heet werd ingetrokken. In 1964 werd een deel van het Stadhoudersplantsoen omgedoopt tot President Kennedylaan. In 1970 werd een deel van de Stadhouderslaan omgedoopt tot Eisenhowerlaan.

De Stadhouders van Holland
Het woord stadhouder betekent "plaatsvervanger". In 1428 kwamen de graafschappen Holland en Zeeland in handen van Filips de Goede van Bourgondië die zich vanaf 1433 liet vertegenwoordigen door een stadhouder. Later gingen Holland en Zeeland door vererving van het huis Bourgondië over in handen van het huis Habsburg. Vanaf 1528 waren de stadhouders van Holland ook stadhouder van Utrecht.
Na het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog gingen Holland, Zeeland en Utrecht deel uitmaken van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden die ook stadhouders aanstelde.
De stadhouders van Holland waren achtereenvolgens:

  • Hugo van Lannoy, heer van Santes (bij Rijsel) 1433-1440
  • Willem van Lalaing, heer van Bingincourt 1440-1445
  • Gozewijn de Wilde 1445-1448
  • Jan van Lannoy 1448-1462
  • Lodewijk van Gruuthuse 1462-1477
  • Wolfert VI van Borselen, heer van Veere 1477-1480
  • Joost van Lalaing, heer van Montigny-en-Ostrevant en Hantes 1480-1483
  • Jan III van Egmond 1483-1515
  • Hendrik III van Nassau-Breda 1515-1521
  • Antoon van Lalaing, graaf van Hoogstraten 1522-1540
  • René van Chalon 1540-1544
  • Lodewijk van Vlaanderen, heer van Praet 1544-1546
  • Maximiliaan II van Bourgondië, markies van Veere 1547-1558
  • Willem I van Oranje-Nassau (1559-1567) (in dienst van Filips II)
  • Maximiliaan van Hénin, graaf van Boussu (1567 - 1573) (in dienst van Filips II)
  • Willem I van Oranje Nassau (1572-1584) (in dienst van de Staten-Generaal) zie afbeelding
  • Filips van Noircarmes (1573 - 1574) (in dienst van Filips II)
  • Maurits van Nassau (1585-1625) (tot 1589 alleen in Holland en Zeeland)
  • Frederik Hendrik van Oranje (1625 - 1647)
  • Willem II van Oranje Nassau (1647 - 1650)
  • Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650 - 1672)
  • Willem III van Oranje Nassau (1672 - 1702)
  • Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1702-1747)
  • Willem IV van Oranje Nassau (1747-1751)
  • Willem V van Oranje Nassau (1751-1795), regenten: Anna van Hannover (1751-1759), Lodewijk Ernst, hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel (1759-1766)

Stadhouderslaan: Foto's uit het Gemeentearchief
Stadhoudersplantsoen: Foto's uit het Gemeentearchief

Bron: wikipedia

Sweelinckplein & -straat


Grotere kaart weergeven

Zowel het plein als de beide straten zijn vernoemd naar Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621). Sweelinck was componist en organist.

Sweelinck leerde het orgelspel van zijn vader Pieter die, van 1564 tot zijn dood in 1573, organist was aan de Oude of St. Nicolaaskerk te Amsterdam. Na de dood van zijn vader had hij les van Jan Willemszoon Lossy (ca. 1545-1629), stadsspeelman te Haarlem. Volgens de 18e-eeuwse Duitse musicoloog Johann Mattheson zou Sweelinck in Venetië bij Giuseppe Zarlino gestudeerd hebben. Tegenwoordig zijn de meeste biografen het erover eens dat dit op een misverstand berust. Wel was Sweelinck zeer goed bekend met de leerboeken over muziek van Zarlino.
Reeds in 1577 had Sweelinck een aanstelling als organist. In ieder geval vanaf 1580 was hij verbonden aan de Oude Kerk in Amsterdam. Zijn oudste zoon, Dirk, volgde hem na zijn dood in deze functie op. Sweelincks reputatie in Amsterdam was zeer groot. Hij had de bijnaam de Amsterdamse Orpheus en verkeerde in de Muiderkring.

Werken en invloed
Sweelinck was als componist ver buiten de landsgrenzen beroemd. Reeds tijdens zijn leven verschenen vele van zijn vocale werken in druk en verspreidden zich over geheel Europa. Sweelinck zelf heeft de Nederlanden nooit verlaten. Opmerkelijk genoeg werd geen van zijn ongeveer 70 orgelwerken tijdens zijn leven uitgegeven. Uit heel Europa, maar vooral uit Noord-Duitsland stroomden echter leerlingen naar Amsterdam om bij Sweelinck het orgelspel te leren. Hierdoor oefende hij een grote invloed uit op de ontwikkeling van de orgelmuziek in Noord-Duitsland en daarmee indirect ook op Johann Sebastian Bach. Bekende leerlingen van Sweelinck zijn onder andere: Jacob Praetorius II, Heinrich Scheidemann, Samuel Scheidt, Melchior Schildt. Door het grote aantal Duitse leerlingen kreeg Sweelinck ook de bijnaam Duitse organistenmaker.
Sweelinck schreef meer dan 70 composities voor orgel en/of klavecimbel. In deze werken verbindt Sweelinck variatiekunst en de virtuose stijl van de Engelse virginalisten met de Italiaanse orgelstijl van componisten als Claudio Merulo. Hierdoor ontstond een geheel eigen stijl. De fantasiën vertonen al veel kenmerken van de klassieke fuga en kunnen als voorlopers hiervan beschouwd worden. Het gebruik van echo's in de muziek was rond 1600 algemeen populair. Sweelinck zou dit gekend kunnen hebben uit de Venetiaanse school, waar het gebruikt werd door componisten als Giovanni Gabrieli. In de Oude Kerk beschikte hij over een orgel uit 1539 met drie manualen en pedaal dat volop mogelijkheden bood deze effekten te realiseren. Sweelinck is de eerste componist waarvan bekend is dat hij de mogelijkheden, die veel orgels al sinds het einde van de 15e-eeuw boden, op deze wijze benutte.
Sweelincks vocale werken zijn veel minder vernieuwend en staan nog geheel in de traditie van de Nederlandse School. Hij schreef ruim 250 koorwerken. Het zijn vooral a capella Psalmbewerkingen voor vier tot acht stemmen, Cantiones Sacrae op teksten uit de Rooms-katholieke liturgie en Rimes en Chansons op wereldlijke Franse en Italiaanse teksten.

Sweelincks orgels

Sweelinck speelde en componeerde in een tijd waarin algemeen de middentoonstemming in gebruik was, een stemming met in de gangbare toonsoorten vrijwel reine (trillingsvrije) tertsen. Tegenwoordig zijn er nog maar weinig orgels in deze stemming, zodat een historische uitvoering van Sweelincks werken tot de zeldzaamheden behoort. Veel van de levendigheid van de middentoonstemming gaat verloren bij een uitvoering in een moderne stemming, waarin de karakteristieke verschillen tussen de toonsoorten zijn verdwenen.
In Sweelincks tijd stonden in de Oude Kerk tenminste twee orgels, het driemanualige grote orgel tegen de westwand dat tussen 1539 en 1545 door Hans van Keulen, Hendrik en Hermann Niehoff en Jasper Jansz was gebouwd, en een tweemanualig koororgel dat in de jaren 1544 en 1545 door Hendrik Niehoff en Jaspar Jansz was gebouwd.

Sweelinckplein: Foto's uit het Gemeentearchief
Sweelinckstraat: Foto's uit het Gemeentearchief

Bron: wikipedia

Maranathakerk: stukje Zwitserland in Duinoord

Aan de rand van Duinoord staat sinds 1949 de Maranathakerk. Het is een niet alledaags, bijzonder gebouw, dat in de tijd na de Tweede Wereldoorlog als bouwpakket uit Zwitserland is gearriveerd. Het was een cadeautje van de Zwitserse kerken aan Den Haag.

De protestantse Maranathakerk aan de 2e Sweelinckstraat staat op de strook grond die in de oorlog werd ontruimd als Sperrgebiet voor de Atlantikwall. Temidden van de sobere architectuur uit de jaren van de wederopbouw valt de kerk nu op als een vriendelijk Zwitsers aandoend dorpskerkje. Alleen de Alpen op de achtergrond ontbreken.

Rond 1950 zochten kunstenaars een nieuwe weg tussen realisme en abstractie. Die zoektocht naar nieuwe vormen na de oorlog is ook af te lezen aan de Maranathakerk. De houten dakconstructie, die in 1949 per trein uit Zürich arriveerde, is ontworpen voor een serie ‘noodkerken’ die voor Duitsland was gemaakt, waar alles in puin lag en waar moderne systeembouw een goede oplossing was.De architect die de ombouw, de muren en de bijgebouwen van de Maranathakerk heeft gemaakt, was Frits Eschauzier, een bekende architect uit Delft die ook zijn eigen weg zocht tussen traditionalisten en modernisten.Bijzonder aan de Maranathakerk is ook het interieur, dat gedecoreerd is door de schilder Paul Citroen, die leraar aan de Haagse kunstacademie was. Ook hij was een kunstenaar die zich niet in hokjes liet vastleggen. Hij is bekend geworden door onder andere portretten van schrijvers. Het Gemeentemuseum bezit tachtig werken van hem.

Zo is de Maranathakerk, die deel uitmaakt van de Protestantse Gemeente te ’s-Gravenhage, een mooi voorbeeld van een karakteristiek gebouw dat goed past bij dat deel van Duinoord dat na 1945 opnieuw moest worden opgebouwd.

Stichting Vrienden van het Sweelinckplein

Stichting Vrienden van het Sweelinckplein

Het Sweelinckplein, vernoemd naar de vermaarde Nederlandse componist, is het mooiste plein van Den Haag (en dus wellicht van Nederland). Met zijn karakteristieke ovalen vorm is het het hart van de levendige wijk Duinoord. Niet iedereen heeft echter altijd even veel oog gehad voor de unieke kwaliteiten van het Sweelinckplein. In 2000 ontstond er onder de bewoners van dit monumentale plein grote beroering. De gemeente had plannen om het noordelijk deel van het plein te bestemmen tot voetbalveldje.

Om de historische waarde en schoonheid van het plein niet verloren te laten gaan, werd besloten de Stichting 'Vrienden van het Sweelinckplein' op te richten. De middelen van de SVS worden bijeengebracht door vrijwillige bijdragen en giften van de bewoners van het Sweelinckplein en andere belangstellenden die het Sweelinckplein een warm hart toedragen.
De Stichting heeft een eigen informatieve website: www.vrienden-vh-sweelinckplein.nl.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:
Stichting Vrienden van het Sweelinckplein
Marcel Tielemans (voorzitter)
Sweelinckplein 27
2517 GN Den Haag

[bericht van 4-7-2008]

Tasmanstraat

Tasmanstraat


Grotere kaart weergeven

Zeeheld Tasman
De Tasmanstraat hoort eigenlijk wat naamgeving betreft thuis in het aanliggende Zeeheldenkwartier, want Abel Tasman was geen Nederlandse componist, maar een ontdekkingsreiziger met zout water in zijn bloed. De straat begint bij de Witte de Withstraat, schiet over de Laan van Meerdervoort heen om in Duinoord uit te lopen op de 1e Sweelinckstraat. De kruising met de Laan heeft zelfs een eigen verkeerslicht, hetgeen mij verbaast, want druk is het er bijna nooit. In het Duinoordse stuk van de Tasmanstraat vinden we naast het reeds veelbezongen Sunny Court, het tweede nationale park van Duinoord: Klein Tasmanië, een intiem kinderspeelplaatsje. Ga er eens kijken met de kleinkinderen! De Tasmanstraat dateert uit 1893 en werd genoemd naar Abel Janszoon Tasman.

De Tasmanstraat dateert uit 1893 en werd genoemd naar Abel Janszoon Tasman. Tasman werd in 1603 te Lutjegast in Groningen geboren. In die tijd liep de kustlijn anders en lag Lutjegast dichter aan zee en de jonge Abel was daar dan ook vaak te vinden. Hij keek zijn ogen uit naar de schepen en besloot aan te monsteren. Hij ging naar Amsterdam en trad in dienst van de VOC, die in 1602 was opgericht. Hij klom snel op van matroos tot stuurman. Nadat zijn eerste vrouw, Claesgen Heyndrix was overleden, trouwde Abel in 1632 met Jannetje Tjaers, die Abel in 1638 vergezelde op zijn reizen.

Halen wat je halen kan

Op handelsgebied braken voor “de Nederlanden” lucratieve tijden aan; de Gouden Eeuw bracht “booming” business en vooral veel geld in het laatje van de handelsmaatschappijen. Schepen van de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) en de WIC (West-Indische Compagnie) zwermden over de hele aardbol uit om nieuwe vaarroutes en landen te ontdekken en handel te drijven met vreemde landen en culturen, op zoek naar exotische rijkdommen en politieke invloed.
De VOC was een machtige maatschappij, die zich met name richtte op Azië. Specerijen werden uit Indië gehaald; zijde en porselein uit China en de schepen van de VOC mochten zowaar voorzichtig handel drijven met Japan, dat toen nauwelijks buitenlanders toeliet, behalve op het kusteilandje Deshima. Hier leerden de Nederlanders de cultuur van de Shoguns kennen. Langs de route om de Oost werden steunpunten gebouwd waar Nederlandse forten verrezen. Sommige restanten zijn nog te vinden, o.a. in Zuid Afrika en op Mauritius. Iedere zeevarende natie haastte zich natuurlijk een graantje mee te pikken, deed hetzelfde en zo ontstonden de koloniën. De VOC-ers gingen niet altijd zachtzinnig ter werk en de lokale bevolking werd vaak als koelies en zwaar onderbetaald aan het werk gezet. Het was logisch dat de schepen en de routes beveiligd moesten worden. Voor Abel Tasman was dit een van zijn eerste opdrachten. Hij verkende veilige vaarroutes in Indië en hield de piraten op afstand. De handel moest doorgaan koste wat kost.

Abel Tasmans expedities 1642-1644
In die tijd deed het gerucht de ronde dat ergens bij Zuid Amerika goud en zilver voor het oprapen lagen. Met name de Spaanse (Conquistadores) en Portugese zeevaarders (Hendrik de Zeevaarder) zouden scheepsladingen tegelijk uit het Eldorado wegslepen. De heren van de VOC hoorden dit met enige afgunst aan en besloten dat Tasman de zeeweg naar dat Goudland via de oostelijke route in kaart moest brengen. De toch zou gaan via Terra Australis (Zuidland=Australie), een enorm continent, dat voorbij Nieuw Guinea lag. Het was in 1606 toevallig ontdekt door Willem Janszoon, schipper van “de Duyfken”, die de Torresstraat aanzag voor een baai en daardoor naar het zuiden afboog. “Ontdekt” wil natuurlijk zeggen: aangetroffen, want de aboriginals liepen daar al wat langer rond.
Dit Nieuw Holland was dus nauwelijks door vreemden betreden en men had er geen idee van hoe uitgestrekt het was. Ook moest Tasman uitzoeken of je tussen Nieuw Guinea en Australië door kon varen. In augustus 1642 vertrokken de schepen Heemskerck en Zeehaen uit Batavia om eerst een paar pakjes af te leveren op het eiland Mauritius, waar het Nederlands fort Frederik Hendrik gevestigd was. Daar werden de schepen gerepareerd en voedsel en water ingenomen. En passant maakten de Hollandse zeelui jacht op de laatste dappere Dodo, een zeer langzame loopvogel zonder vliegeigenschappen, die door hun toedoen omstreeks 1650 is uitgestorven. Maar da’s een ander verhaal.
Na een paar weken zette Tasman koers naar hoge zuidelijke breedten, omdat hij om het vermoedelijk zeer grote Nieuw Holland heen wilde varen. Hij koerste onder Australië door en zag in November 1642 het land dat hij “Van Diemensland” noemde, naar de opdrachtgever van de expeditie Anthony van Diemen.
Het eiland is nu bekend onder de naam Tasmanië. Negen dagen later stuitten de schepen op de kust van Nieuw Zeeland, waar Tasman ruzie kreeg met Maori’s en drie man verloor. Nieuw Zeeland werd vooralsnog geacht aan Zuid Amerika vast te zitten. Hij bezocht Fiji, Tonga en Samoa en keerde in juni 1643 bovenlangs Nieuw Guinea, via de Molukken weer in Batavia terug.
In 1644 vertrok Tasman opnieuw om een mogelijke doorvaart tussen Nieuw Guinea en Australië te zoeken, maar er langs varend dacht hij ook dat het een grote inham was. Er was echter weldegelijk een doorvaart en de Portugese ontdekkingsreiziger Luis Vaez Torres bewees dit door er doorheen te varen. De doorgang werd naar hem vernoemd: de Torresstraat, een tricky vaargebied, bezaaid met koraalriffen.

Tasmania
Tasman werd beloond voor zijn zeevaartkunde en ontdekkingsreizen; hij werd benoemd tot schippercommandeur. Maar er was ook kritiek omdat de tochten te weinig handel hadden opgeleverd. Jammer toch, dat beperkte marktdenken!
Na 1650 raakte Tasman verder uit de gratie omdat hij een matroos opknoopte en op het laatste moment weer losmaakte. Dat is niet plezierig en het viel niet goed bij de kerkelijke gezagsdragers; zijn reputatie kreeg een knauw. Zijn beroemde expeditie werd een dikke honderd jaar later door de Engelse Captain Cook dunnetjes overgedaan met zijn schip de Endeavour. En wie kent niet het beroemde verhaal van de Bounty? Zo heeft iedere zeevarende natie zijn eigen Tasman.
Inmiddels is ieder plekje op aarde bekeken vanuit de ruimte en de Tomtom brengt ons feilloos waar we wezen willen. Leuk? Ik weet het niet, want verdwalen kan soms interessant zijn. Abel Tasman stierf in 1659 op zijn landgoed in Batavia. Zijn erfenis werd verdeeld tussen zijn vrouw Jannetje Tjaers, de kinderen van zijn dochter Claesgen uit zijn eerste huwelijk en de inwoners van Lutjegast. Kwam het toch nog goed. Het Eldorado werd nooit gevonden. Of wel?

Foto's uit het Gemeentearchief

Valeriusstraat


Grotere kaart weergeven

De Valeriusstraat is vernoemd naar Adrianus Valerius, de gelatiniseerde naam van Adriaen Valéry, een Zeeuwse componist en dichtschrijver die leefde van ca. 1575 tot 1625. Valerius werd geboren in Middelburg als zoon van de Franse hugenoot François Valéry. Valerius vervulde verschillende ambtelijke functies bij de gemeente Veere, en was daarnaast werkzaam als notaris. Tevens was hij lid en later overdeken van de Veerse rederijkerskamer. Valerius verwierf internationale bekendheid met zijn gedichten en volksliederen, die veelal op calvinistisch protestantse leest geschoeid waren.
Zijn bekendste werk is de “Nederlandtsche Gedenck-Clanck”, een verzameling geuzenliederen waarin de vrijheidsstrijd tegen de Spaanse overheersing beschreven wordt. Eén van de liederen die Valerius optekende in zijn “Gedenck-Clanck” is het Wilhelmus (vermoedelijk geschreven door Filips van Marnix, heer van St. Aldegonde). De oorspronkelijke melodie van het Wilhelmus was zeer eenvoudig. Valerius componeerde een alternatieve melodie met klankbuigingen die nog altijd gebruikt wordt bij de uitvoering van het Nederlandse volkslied.


De Valeriusstraat is een gebogen straat van gemiddelde breedte, en loopt van de Groot Hertoginnelaan tot het Stadhoudersplantsoen. De eerste bebouwing van de Valeriusstraat dateert uit ca. 1900-1905, en sloot in architectonisch en stedenbouwkundig opzicht aan op de gelijktijdig gebouwde woningen in de Aert van der Goesstraat en de Frederik Hendriklaan (in het Statenkwartier). De Valeriusstraat had in eerste instantie slechts een beperkt winkelbestand, maar dit werd al snel uitgebreid door verbouwing van de gevels van benedenwoningen. Dit gebeurde ook in de Aert van der Goesstraat en de Frederik Hendriklaan, zodat een langgerekt, aaneengesloten winkelgebied ontstond.


Al in de jaren ’10 van de vorige eeuw werd de Valeriusstraat beschouwd als een winkelgebied van betekenis, getuige het bezoek van koningin Wilhelmina en prins Hendrik aan de Valeriusstraat in mei 1916 ter gelegenheid van de Haagse Winkelweek. Foto’s van dit bezoek zijn te vinden op de website van het Gemeentearchief van Den Haag. In de jaren ’30 werden nog enkele woon/winkelpanden gebouwd in de Valeriusstraat op plaatsen die in het oorspronkelijke ontwerp voor Duinoord II niet ingevuld waren.

In 1942-1943 werd een groot deel van de woningen in Duinoord II ontruimd en afgebroken op last van de Duitse bezetter, die het terrein nodig had voor de aanleg van de Atlantikwall, een verdedigingslinie langs de kust ter beveiliging van de bezette gebieden tegen een geallieerde invasie vanaf de Noordzee. Alle woningen in de Valeriusstraat ten noordwesten van de kruising met de Nicolaistraat gingen hierbij verloren. Na de oorlog werden de Duitse verdedigingswerken ontmanteld, maar het terrein bleef vervolgens bijna 10 jaar braak liggen. Pas in 1954-1955 werd het terrein opnieuw bebouwd met portiek- en galerijwoningen naar een ontwerp van de bekende architect W.M Dudok. De winkelfunctie van de Valeriusstraat werd hersteld door de nieuwe woningen te voorzien van winkelpanden op de begane grond. De naoorlogse bebouwing van de Valeriusstraat werd minder ver doorgetrokken in noordwestelijk richting dan de oorspronkelijke vooroorlogse bebouwing. De onbebouwde ruimte werd gebruikt voor de aanleg van het Stadhoudersplantsoen en een belangrijke verkeersader (in 1964 omgedoopt tot de President Kennedylaan). Door deze infrastructurele invulling ging de vooroorlogse aansluiting van de Valeriusstraat op het winkelgebied van de Aert van der Goesstraat en de Frederik Hendriklaan definitief verloren.

Vanaf 1921 tot 1943 en van 1947 tot 1965 reed HTM tramlijn 14 door de Valeriusstraat. De route van lijn 14 is verschillende keren aangepast, maar omvatte bijna altijd het tracé van het Valkenbosplein naar het Kurhaus in Scheveningen. Tegenwoordig rijdt bus 21 op dit traject.

Van Blankenburgstraat

Van Blankenburgstraat / 2e Van Blankenburgstraat


Grotere kaart weergeven

Van Blankenburg
Quirinus van Blankenburg (± 1654-1739) werd geboren in Gouda en kreeg de eerste muzieklessen van zijn vader. Hij werd al tot organist van de Remonstrantse kerk in Rotterdam benoemd toen hij nog maar 15 jaar was, en carillonist, componist, keurmeester van orgels en carillons en muziektheoreticus. Hij kende Huygens en behandelde de 31-toonstemming in de “Elementa Musica”. Hoofdstuk 24 hiervan heeft de titel: “De Wet der Nature in een Cirkel van reine groote Terssen, Die de Quinten in een aangename zweeving en te gelyk alle klanken regelmatig verdeelt, zonder die in ’t byzonder te stellen”.
Hij stelde veel belang in het 31-toonssysteem, en wees met nadruk op het feit dat de tonen ook in een gesloten cyclus van reine grote tertsen geordend kunnen worden.

Hij borduurde op Huygens’ werk voort door de 31 tonen van namen te voorzien en bedacht de voortekens voor een halve chromatische verhoging (“’t klein kruis”) en –verlaging (“’t klein mol”). Hiervoor stelde hij de tekens x en g voor.
Hij was een tegenstander van de gelijkzwevende stemming en stelde dat men hiermee de wolfskwint inruilde voor “twaalf kleine wolfjes”. Er zijn weinig werken bekend van Blankenburg, één daarvan is een clavecimbel- en orgelboek met zettingen van alle psalmen

Uitgaven van zijn werk
Blankenburg, Quirinus van. Onderwijzinge hoe men alle de Toonen en halve Toonen, die meest gebruijckelijck zijn, op de Handt-Fluijt zal konnen ’t eene mael zuijver Blaezen. Amsterdam, 1684.
Blankenburg, Quirinus van. Elementa Musica, of Nieuw Licht tot het welverstaan van de musiec en de bas-continuo. Door Regelen, met Reden en bewys, gebouwd op een klare ontledinge der eerste Beginselen; Na een voorafgaande wederlegging van de dwalingen dezes tyds. Waar nevens De vinding en opkomst der Konst; De musiec der Ouden; De Redenmaat der Klanken; De ontdekking van een Wiskunstige Cirkel, Waar in de Wet der Nature al de Toonen verdeelt; De Stelkonst; De Speeltuigen En de Grondlegging van de Zangkunst. Laurens Berkoske, ’s-Gravenhage, 1739. Herdruk: Uitgeverij Frits Knuf, Amsterdam, 1972. Serie: Early Music Theory in the Low Countries vol.4, Frits R. Noske (ed.), 273 pagina’s.
Van Blankenburgstraat 1 (links) en 1e Sweelinckstraat 9 (rechts); 1920

Foto's uit het Gemeentearchief.

Verhulstplein

Verhulstplein


Grotere kaart weergeven

Johannes Verhulst
Johannes Joseph Hermann Verhulst (Den Haag, 19 maart 1816 - Bloemendaal, 17 januari 1891) was een Nederlands componist en dirigent. Als componist van vooral liederen en als topfunctionaris in het Nederlandse muziekleven in de negentiende eeuw is zijn invloed aanzienlijk geweest.

Verhulst zong als jongen in een katholiek kerkkoor, waar hij zich al onderscheidde door grote muzikaliteit. In zijn tienerjaren bracht hij het tot eerste violist in de hofkapel van koning Willem I. In 1836 kreeg Felix Mendelssohn-Bartholdy, op vakantie in Scheveningen, van Johannes’ muziekleraar een ouverture van Verhulst te zien. Mendelssohn nam hem daarop aan als leerling.

In Leipzig werd Verhulst dirigent van het Euterpe-orkest, waarvoor hij onder andere zijn Symfonie in e schreef. In 1842 ging hij op aandringen van koning Willem II terug naar Den Haag, waar hij zich toelegde op het schrijven van Nederlandse liederen. Zes jaar later werd hij in Rotterdam als dirigent van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst aangesteld; bij een feest in 1854 voor het zilveren jubileum van die vereniging lukte het hem tal van buitenlandse muziekprominenten te strikken, waaronder Franz Liszt.

In de jaren daarna volgden nog enige benoemingen: in 1860 bij Diligentia in Den Haag en in 1864 in Amsterdam bij Toonkunst, orkestvereniging Caecilia en Felix Meritis. In die machtige posities had hij een enorme invloed op het Nederlandse muziekleven gekregen. Zijn conservatieve smaak kwam hem echter op groeiende kritiek te staan. Zo weigerde hij Berlioz, Liszt en vooral Wagner uit te voeren. Als de zakelijke directie van een orkest die werken gespeeld wilde hebben, was ze op een gastdirigent aangewezen. In 1886 werd hij tot erelid van Diligentia benoemd, dat hem successievelijk ontsloeg. Daarop trad hij ook uit zijn functies in Amsterdam terug. Hij stierf teruggetrokken op 74-jarige leeftijd.

Verhulst heeft in het spoor van Franz Schubert en Robert Schumann enkele tientallen liederen geschreven, gewoonlijk op teksten van J. P. Heije. De tekstuele kwaliteit van die liederen is twijfelachtig, maar de inleving van Verhulst is onbetwist. Kenmerkend zijn de voor die tijd uitgebreide chromatiek en lange voor- en naspelen. In zijn beste liederen benadert hij het niveau van zijn idool Schumann. Voorts schreef hij kamermuziek, gewijde muziek (waaronder de Mis, opus 20) en orkestmuziek (waaronder de Symfonie in e opus 46). Voor harmonieorkest schreef hij in 1844 Grüss aus der Fernen.

Foto's uit het Gemeentearchief

Bron: wikipedia

Voltastraat

Voltastraat


Grotere kaart weergeven

Alessandro Volta
De Voltastraat heeft zijn naam te danken aan Alessandro Giuseppe Antonio Anastasio (graaf) Volta (1745-1827). Volta was een Italiaanse natuurkundige die bekend is geworden door zijn ontdekking van de elektrische batterij of voltaïsche cel (Zuil van Volta).

Volta werd geboren in stad Como in Lombardije. In deze stad ging Volta ook naar school, waar Volta in 1774 professor natuurkunde werd. Volta was altijd geïnteresseerd in elektriciteit. De vi attractiva ignis electrici ac phaenomenis inde pendentibus is de eerste wetenschappelijke publicatie van Volta. Volta trouwde in 1794 met Teresa Peregrini, de dochter van graaf Ludovico Peregrini.

In 1786 kwam Luigi Galvani erachter dat er de spieren in de poten van een dode kikker gingen trillen als ze in contact kwamen met twee verschillende metalen. Galvani dacht hierdoor dat elektriciteit een biologisch verschijnsel was en werd opgewekt in spieren. Volta dacht dat elektriciteit anorganisch was en dat twee verschillende metalen voor stroom zorgen. Om dit te bewijzen bouwde Volta in 1800 een zuil, dat uit lagen koper en zink met een tussenlaag van water en zout, bestond. Volta liet zien dat door een gesloten kring een stroom liep. De zuil werd de zuil van Volta genoemd (zie afbeelding) en was de eerste batterij.

In 1810 maakte Napoleon Volta graaf voor zijn verdiensten op het gebied van elektriciteit. In 1815 kwam daar ook nog bij dat Volta door de keizer van Oostenrijk werd benoemd tot professor filosofie in Padova. De eenheid van elektrische spanning, de volt, is in 1881 naar hem genoemd. Ook stond hij afgebeeld op het Italiaanse bankbiljet van 10.000 lire.

Foto's uit het Gemeentearchief

Bron: wikipedia

In cijfers

Duinoord in cijfers schetst een beeld van de wijk met statistische gegevens. De gegevens zijn ontleend aan informatie van de Gemeente Den Haag en het CBS.

Onderwerpen die aanbod komen zijn:


Bevolkingsopbouw


In Duinoord woonden op 1 januari 2007 in totaal 6.887 mensen. De gemeente verwacht dat dit aantal in 2012 niet veel zal veranderen. De opbouw is als volgt:


.

naar boven


Verkiezingsuitslagen


In Duinoord zijn drie stembureaus. Hoewel de kiezers vrij zijn in de keuze van het stembureau, zal de uitslag van deze drie bureaus een getrouw beeld geven van de politieke voorkeuren in Duinoord.

Gemeenteraadsverkiezingen 2010
De uitslag is na te lezen in de bijlage uitslag-gr2010-duinoord.pdf.

naar boven

[laatst gewijzigd: 18 janauri 2011]